Ik wil niet dansen tegen de banken

Een maand na de bezetting neemt Alma Mathijsen een kijkje op het Beursplein.

Ze stapt in een wereld van yoga, brandnetelthee en feeënstof.

Ik heb het niet gedaan. Een maand geleden overwoog ik om me bij de Occupy-bezetters op het Beursplein te voegen, vanaf de dag dat ze er gingen staan. Mijn overwegingen zette ik uiteen in een artikel op deze pagina’s. Die eerste zaterdag kwam steeds dichterbij en ik ging niet op zoek naar een tent en kwasten om hem te versieren. De apathie had wederom gewonnen.

Vandaag ben ik gaan kijken, voor het eerst. Ik kan me voor een groot deel achter de standpunten van de activisten scharen. Ze vechten tegen de hebzucht van de zakenwereld, herinneren ons aan de negatieve effecten van het kapitalisme en leggen sociale ongelijkheid bloot. Wat ik wil weten is waarom deze mensen wel bevlogen genoeg zijn om hun leven in te wisselen voor de strijd tegen het kapitalisme. Overal hangen spandoeken en briefjes: Don’t just walk by, come in and talk. Direct als ik tussen de tenten doorloop, komt er een lange man op me af. „Kan jij yoga?” vraagt hij in het Engels.

Ik antwoord naar waarheid: „Een keer gedaan.”

„Dan kan je daar geen les in geven, neem ik aan.”

Ik lach van nee.

„Kan je iets anders?”

Iedereen hier is op zoek naar een invulling van de dag. Het is of ik in een andere wereld stap. Afgelopen woensdag is een artikel in De Pers verschenen waarin staat dat de leuke meisjes het Beursplein te onveilig vinden en er niet meer komen.

„Jij bent een leuk meisje”, zegt een jongen in keurig pak.

Hij doet zelf niet mee aan Occupy maar komt eens in de week langs om voedsel en kleding te doneren.

„Hier slapen gaat me te ver, maar dit is een goede oplossing. Ik wil dit mede in stand houden.”

Een andere vrouw is net langs de Albert Heijn geweest en overhandigt een tas vol boodschappen aan de aanhangers.

Activist Boris neemt alles dankbaar aan. Is dit de manier voor de gewone man om te demonstreren?

„Dit is pas het begin”, zegt Boris.

Ik vertel hem over de beursmedewerkers, zij klaagden dat ze er genoeg van hebben: „Hun punt is duidelijk. Bovendien begint het te stinken.”

Als het om de sanitaire voorzieningen gaat, moet ik ze gelijk gegeven. Aan het einde van het tentenkamp hangt een penetrante pisgeur. Moeilijk om daar gedreven van te worden.

„Nu pas begint ons punt duidelijk te worden.”

Ik knik. Een meisje genaamd Cat „met een C” vraagt of ik thee wil, een ander vraagt of ik ook een bord rijst wil mee-eten. Dat het elf uur in de ochtend is, lijkt geen punt. Cat wast een tinnen beker af in een teil met water, grondig schrobt ze alle restjes aangekoekte koffie weg. Ik mag zelf mijn thee uitkiezen, er staat van alles in de geïmproviseerde keuken. Ik kies Vietnamese brandnetelthee, nu ik er toch ben. Niemand heeft hier haast, een half uur later krijg ik een kopje thee. Boris loopt voorbij en fluistert in mijn oor: „Cat is eigenlijk een fee.”

Ze glimlacht.

„Wil je fairydust?”

Uit haar zak komt een klein flesje met roze poeder. Voorzichtig sprenkelt ze wat over mijn hoofd. Ik blijf rustig en bedank haar. Even vraag ik me af waar ik ben.

„Als vrouw voel ik me veilig”, zegt Cat, „ergens hebben de media gelijk, er zijn opstootjes en ruzies. Maar als je die op de juiste manier aanpakt, gaat het goed. Een zwerver was aan het schreeuwen. Toen vroeg ik of hij een knuffel wilde. Hij zei: ‘alleen als je naakt bent.’ Dat deed ik niet. Daarop spuugde hij in mijn gezicht. Tja, zij zijn ook de 99 procent. Zodra je ze accepteert en een taak geeft, gaat het meestal goed.”

Even later loop ik weer op tegen de eerste man, die Freedom blijkt te heten. In zijn hand heeft hij Into the Wild. „Dit boek past zo goed bij mijn leven op dit moment.”

Freedom is twee dagen voordat Occupy Amsterdam begon ontslagen bij een groot bedrijf. Hij besloot vanuit Tel Aviv naar Nederland te verhuizen om muzikant te worden. „Ik ben de afgelopen maand gelukkiger geweest dan de vorige zeven jaar.”

De mensen op het Beursplein lijken nog steeds blij, van de grimmige sfeer die verschillende media melden is overdag weinig te merken. Boris vraagt: „Als ik er wat beter uitzie, ga je dan met me uit?”

Ik knik van ja.

Cat roept: „Bye, sweetie.”

Eenmaal honderd meter van de tenten vandaan begeef ik me weer in de normale wereld. Niemand praat tegen elkaar, auto’s scheuren langs. Ik zie nog een paar keurig geklede mensen richting Occupy lopen met tassen vol spullen. Het voelt raar: alsof ik de mensen met fairy dust mijn strijd laat voeren en zelf afzijdig blijf. Toch weer hetzelfde als wat de oude vrienden van mijn vader me verweten: waarom doe je niet mee, jij bent nog jong genoeg om in een tentje te slapen, jij vindt toch ook dat de wereld anders moet? Maar ik wil geen veren in mijn haar vlechten en huppelend door het leven gaan. Ik wil niet middenin de nacht gewekt worden door een fee die zegt dat we een regendans gaan doen om de grote banken een lesje te leren. Het lijkt wel vluchtgedrag als ik gauw naar huis fiets en de inhoud van mijn koelkast in een paar tassen stouw. Dit is voor Boris, Freedom en Cat met een C.

Alma Mathijsen is schrijver en beeldend kunstenaar. Onlangs verscheen haar debuutroman ‘Alles is Carmen’.

    • Alma Mathijsen