Een non-verbale grens overschreden

Wie nog niet heeft gezien hoe staatssecretaris Marlies Veldhuijzen van Zanten tijdens een vergadering haar buurvrouw de mond snoert, moet dit zeker bekijken op YouTube of elders. De afgelopen jaren is er veel te doen geweest over grof taalgebruik in de Tweede Kamer, maar daarbij ging het altijd om gesproken taal – om onparlementaire woorden en uitdrukkingen.

Ook non-verbaal zijn parlementariërs echter tot heel wat in staat. Zelf verbaas ik me altijd over Kamerleden en bewindspersonen die demonstratief niet luisteren als iemand het woord voert. Nou hoort dat natuurlijk een beetje bij het politieke toneelstuk dat wordt opgevoerd, maar ik vind die uitingen van ostentatief niet-luisteren pijnlijk onbeleefd.

U kent het wel: iemand die wordt toegesproken draait zich om en kijkt verveeld de andere kant op. Of hij gaat druk aan de slag met zijn mobiele telefoon. Bladeren in papieren kan ook, maar dat wekt nog de suggestie dat iemand iets opzoekt dat later in het debat van pas kan komen. Verveeld wegkijken, blikken van verstandhouding met collega’s, opstaan en weglopen – het zijn allemaal manieren om de politieke opponent te laten weten: je opvattingen zullen me worst zijn.

Marlies Veldhuijzen van Zanten heeft dit alles nu overtroffen met een tamelijk ongebruikelijk handgebaar. Voor wie het niet heeft gezien: de staatssecretaris wordt in haar pleidooi voor afschaffing van het persoonsgebonden budget onderbroken door commentaar uit de zaal. Naast haar zit Pauline Smeets, voorzitter van de vergadering. Op het moment dat die het woord neemt („Mag ik even vragen…, mag ik even vragen…”), strekt Veldhuijzen van Zanten haar arm uit, waarna ze, terwijl ze doorpraat en recht de zaal in kijkt, haar hand langs de neus en mond van Smeets strijkt.

Boodschap: hou je mond, onderbreek mij niet.

Van de honderden gebaren die wij kennen, zijn er slechts een paar waarbij je een ander aanraakt. Dit gebeurt gecoördineerd, met wederzijdse goedkeuring. Bij de high five sla je bijvoorbeeld tegen elkaars handen, net als bij diverse gebaren voor ‘akkoord, de zaak is beklonken’. Maar om iemand tot stilte te manen houd je een gestrekte wijsvinger voor je eigen mond (‘sssttt!’), maak je van je handen een T (‘time out’), of doe je – bij jezelf – alsof je een mond dichtritst (‘mondje toe’) terwijl je iemand indringend aankijkt.

Iemand letterlijk de mond snoeren door een hand voor zijn of haar mond te strijken, daarbij zelfs het gezicht aanrakend, is tamelijk ongehoord. Ik denk dat dit incident tussen mannen heel anders was afgelopen. Dikke kans dat de belerende hand meteen was weggemept en voor je het weet was het op een scheld- of knokpartij uitgelopen. „Blijf met je hand/poten uit mijn gezicht, doe effe normaal man!” – dat soort werk.

Smeets bleef bewonderenswaardig rustig. Zij bleek de zaal slechts tot orde te willen manen, ten gunste van de staatssecretaris dus. Die voerde, nadat ze met tegenzin het woord had afgestaan, een tweede non-verbaal hoogstandje op: zij vouwde haar handen ineen, schudde haar hoofd en sloeg haar ogen ten hemel, innerlijk – zo leek het – tot tien tellend om haar geduld te bewaren.

Het was, alles bij elkaar, een curieuze en schadelijke vertoning. In de eerste plaats schadelijk voor Marlies Veldhuijzen van Zanten zelf; zij bood weliswaar naderhand haar excuses aan, maar zoiets blijft aan je kleven. En ook een beetje schadelijk voor het parlement als geheel. Het is knap dat voorzitter Pauline Smeets rustig bleef, maar het is ook wel vreemd om zo’n inbreuk in de vergaderetiquette ongestraft te laten passeren. „Mevrouw de staatssecretaris, u misdraagt zich, ik schors de vergadering voor drie minuten”, was krachtiger geweest. Nu is er een non-verbale grens overschreden.

En mocht u dit overdreven vinden: eerstvolgende vergadering naast de voorzitter gaan zitten en het zelf proberen. Sterkte.

    • Ewoud Sanders