Bloemaert schittert als lenige stilist

Het Bloemaert-effect; kleur en compositie in de Gouden Eeuw. Centraal Museum, Utrecht. T/m 5 febr. Inl: centraalmuseum.nl *****

Zelden valt er in het oeuvre van een Hollandse oude meester zo veel te beleven als in dat van Abraham Bloemaert. Van leven bruisende composities met figuren in verschillende stadia van ontkleding maakte hij, gelardeerd met gedetailleerde stillevenmotieven en landschappen. Maar ook forse altaarstukken met grote, statige figuren, gekleed in gewaden van zorgvuldig nagebootste stoffen. En, zo op het oog minder ambitieuze, maar vaak inventieve schilderijen met onverwachte perspectiefconstructies en lichteffecten.

De Utrechtse schilder Abraham Bloemaert (1566-1651) had er duidelijk lol in en, belangrijker nog, wist zijn stijl gedurende zijn lange carrière steeds weer te actualiseren en aan te passen aan de wensen van nieuwe opdrachtgevers. Toch heeft zijn naam in de kunstgeschiedenis minder weerklank gevonden dan die van zijn jongere tijdgenoten Rembrandt en Vermeer.

De tentoonstelling in het Centraal Museum is dan ook de eerste grote monografische expositie van Bloemaerts werk. Het museum verwacht dat deze tentoonstelling het beeld van de Hollandse Gouden Eeuw zal bijstellen. Dat is de laatste decennia een claim die in Utrecht al vaker, impliciet of expliciet, is uitgesproken. Exposities over Hollandse caravaggisten, italianisanten en classicisten beoogden telkens te laten zien dat de zeventiende eeuw meer te bieden had dan genrestukken, landschappen en portretten in de ‘realistische’ stijl die sinds de negentiende eeuw als typisch Hollands geldt.

Dit gemorrel aan de canon heeft de weg geplaveid voor de nieuwe aandacht voor Bloemaert. Abraham Bloemaert werd geboren in Gorinchem, op Eerste Kerstdag van het jaar 1566. Dat was ook het jaar van de beruchte Beeldenstorm, toen protestanten in de kerken religieuze schilderijen kapot sneden en sculpturen stuksloegen. Bloemaerts familie was daar in elk geval niet bij: Abraham, zoon van de beeldhouwer Cornelis Bloemaert, groeide op als katholiek en dat zou hij blijven. Het is een teken van het hoge aanzien dat hij als kunstenaar genoot dat hij, in de protestantse Republiek der Nederlanden, zijn geloof openlijk beleed en toch belangrijke opdrachten kreeg. En zeker niet alleen van katholieke kerken en instellingen, al waren dat wel de afnemers van sommige van zijn indrukwekkendste werken.

Een voorbeeld daarvan is het meer dan vier meter hoge retabel met de Aanbidding van de koningen (1624) voor de jezuïetenkerk in Brussel. Bloemaert maakte een grote, uitgewerkte tekening voordat hij begon aan dit schilderij. Dat blad, een zogenoemd vidimus (‘wij hebben gezien’), diende om de opdrachtgever een idee te geven van het beoogde werk. Het is slechts een van de drie dozijn tekeningen van Bloemaert die in de expositie in de directe nabijheid van de bijbehorende schilderijen worden getoond. Ze geven een mooi beeld van de functies van tekeningen in het vroegmoderne schildersatelier – van vlugge schets tot uitgewerkte presentatietekening en werkmodel met een raster over de voorstelling om die gemakkelijk naar een groter formaat te transponeren.

De expositie toont zo’n vijftig schilderijen van het overgeleverde oeuvre van meer dan 200 werken van de productieve kunstenaar. Tentoonstelling en bijbehorende catalogus presenteren zijn oeuvre in een thematische ordening: de religieuze werken bij elkaar, de mythologische schilderijen, de genrestukken, de landschappen en de stillevens. Hadden de schilderijen in een visueel waarschijnlijk minder aantrekkelijke chronologische ordening gehangen, dan zou meer duidelijk zijn geworden over misschien wel het meest verrassende aspect van het werk van de schilder: zijn stilistische lenigheid. In de jaren omstreeks 1600 sloot hij aan bij de ‘maniëristische’ stijl die in de loop van de zestiende eeuw vanuit Italië in heel Europa modieus was geworden. Een vergaande stilering maakte van mensen wandelende spierbundels en van composities centrifugale hallucinaties. In Bloemaerts wervelende Bruiloft van Peleus en Thetis (1595) staan de hoofdrolspelers van de mythe in de marge, terwijl overdreven bevallige of juist grotesk uitvergrote bijfiguren strijden om de aandacht van de beschouwer.

In scherp contrast met dergelijk werk staat een schilderij van een episode uit het destijds populaire Italiaanse toneelstuk Il pastor fido: de Bruiloft van Amaryllis en Mirtillo (ca. 1635). Het werk maakt deel uit van een serie schilderijen met scènes uit het stuk en was bedoeld voor het huis Honselaarsdijk van stadhouder Frederik Hendrik. Bloemaert sneed deze werken toe op de klassiekere smaak van zijn adellijke opdrachtgever. Geen draaikolk van naakte lijven nu, maar een landschap met een helder belicht, overzichtelijk rijtje dat niet hoeft te concurreren met allerlei figuranten en details.

Abraham Bloemaert heeft in zijn atelier een indrukwekkende hoeveelheid jongere schilders opgeleid. Velen van hen zouden op hun beurt uitgroeien tot beroemde meesters, en het is opvallend dat Bloemaert hen kennelijk zo vrij liet dat ze lang niet altijd verder werkten in de stijl van hun leermeester. Zo kon Cornelis Poelenburgh zich ontwikkelen tot een van de belangrijkste italianiserende kunstenaars, terwijl Hendrick Terbrugghen en Gerard van Honthorst bekend werden als caravaggisten.

Bloemaert is zelf voor zover bekend nooit in Italië geweest, maar in werken die hij in de laatste decennia van zijn lange werkzame leven maakte (hij stierf in 1651 op 84-jarige leeftijd) is te zien hoe hij zich nog eenmaal oriënteerde op de nieuwe ontwikkelingen in de schilderkunst. Daarbij zal hij hebben gekeken naar werk van zijn eigen leerlingen. Zijn Fluitspeler uit 1621, bijvoorbeeld, toont een eenvoudige compositie van alleen een jonge man in halffiguur, met een lange fluit in zijn hand. Het gezicht van de muzikant wordt aan de linkerkant fel belicht terwijl de andere helft in schaduw verborgen blijft. Het werk staat aan het begin van een reeks van dergelijke composities in het latere werk van Bloemaert. In de expositie is het echter direct aan het begin opgehangen, als om te laten zien wat het eindpunt was van de stilistische meander in het werk van Abraham Bloemaert.