Basta Italia

De democratie, verlamd door cliëntelisme, kreeg Silvio Berlusconi er niet onder.

Het was uiteindelijk de door hem zo bejubelde vrije markt die hem de das om deed.

Wat vrijwel geen Italiaan voor mogelijk hield, is zaterdag toch gebeurd.

Silvio Berlusconi heeft zijn ontslag ingediend.

De multimiljardair en mediatycoon vond zijn Waterloo uitgerekend daar waar hij zijn imperium bouwde: op de vrije markt. Internationale investeerders deden wat de Italiaanse parlementaire democratie niet lukte – verlamd als deze was door de populist Berlusconi, zijn verleidingstrucs, zijn mediadominantie, zijn cliëntelistische machtspolitiek, en zijn afkeer van democratische instituties.

De Zonnekoning, Napoleon, Julius Caesar, Jezus Christus – geen vergelijking ging hem en zijn aanhangers te ver om zijn kwaliteiten als mens, zakenman en leider te roemen. Tomeloos was hij in zijn ambitie, zijn zucht naar macht en zijn wil geliefd te worden. ‘Meno male che Silvio c’e!’ (Gelukkig dat Silvio er is), luidde zijn zelfgeschreven partijhymne. Grenzeloos was ook zijn bereidheid regels te overtreden, tegenstanders te intimideren en bondgenootschappen te sluiten die het land benadeelden en hem zelf vooruithielpen.

Silvio Berlusconi doorbrak elk voorgeschreven decorum. Hij was de anti-politicus die het volk met zijn narrengedrag verleidde. Door kiekeboe te spelen met Angela Merkel. Door Obama „mooi gebruind” te noemen. Door twee vingers op te steken achter het hoofd van een bevriend staatshoofd. Hij gaf een televisiepresentator zijn hand en zei: „Ruik eens... dit is de geur van heiligheid”.

Hij durfde te doen waar anderen van droomden. De harem die hij zich verschafte, sloot aan bij de diepste verlangens van veel Italiaanse mannen. Ze verdedigden hem tegen te veroordelende journalisten: „Een premier heeft ook recht op privacy”.

Silvio Berlusconi deed, kortom, altijd wat hem goeddunkte. En hij deed dit onder het mom van de „vrijheid”. Niet de ‘vrijheid om’ iets te doen, maar ‘de vrijheid van’ de controlerende, blokkerende en bureaucratische overheid waar zoveel Italianen een broertje dood aan hebben. De kiezers die op hem stemden, noemde hij sinds 2008 „Volk van de Vrijheid”, nadat hij zijn partij eerst Forza Italia (Hup Italië) had gedoopt.

De soepelheid van geest, van intelligentie en van moraal openbaarden zich al vroeg bij deze in 1936 geboren zoon van een Milanese bankmedewerker en een huisvrouw. Op de kostschool bij de Salesianen in Milaan deed hij tegen betaling het huiswerk van zijn studiegenoten. Hij studeerde cum laude af in rechten met een bekroonde scriptie over de contractuele aspecten van advertenties op tv.

Na een korte carrière als zanger op een cruiseschip stortte hij zich op de booming business van die tijd: de bouw. Hij verkocht eerst vier, daarna duizend en vervolgens vierduizend appartementen. Het geld kwam deels van nooit geïdentificeerde Zwitserse investeerders, waarachter menigeen de hand van de Siciliaanse maffia vermoedde. Zijn imperium werd een collectie van zwarte dozen en brievenbusbedrijven, aanvankelijk op naam van stromannen – wat hem diverse rechtszaken wegens belastingontduiking en fraude opleverde.

In 1994 was hij uitgegroeid tot de rijkste zakenman van Italië: eigenaar van een supermarktketen, een voetbalclub (AC Milan), een verzekeringsbedrijf, een bank, een bouwconglomeraat, drie commerciële landelijke televisiezenders, een uitgeverij, kranten en een reclameconglomeraat.

En ook toen al ging Italië gebukt onder een diepe crisis. Een steekpenningenschandaal had veel ambtenaren en ondernemers in de beklaagdenbank gebracht. Berlusconi vreesde ook te worden vervolgd. „Als ik niet de politiek in ga, sturen ze me de gevangenis in en laten ze me failliet gaan”, zou hij toen hebben gezegd.

En dus betrad hij „het strijdtoneel”, zoals hij het in voetbaltermen noemde. De marketingafdeling van zijn reclamebedrijf Pubitalia organiseerde de op Amerikaanse leest geschoeide campagne. Op 26 januari 1994 stuurde hij een videoband naar de Rai, zijn eigen zenders en Reuters die op alle Italiaanse kanalen werd uitgezonden.

In een Amerikaanse, huiselijke setting – houten bureau, nepboekenkast, foto van de familie in de buurt – verleidde hij de kijker met de mededeling dat hij niet anders kon dan ingrijpen nu het land werd geteisterd door een steekpenningenschandaal.

Italië viel als een blok voor hem en Forza Italia, een na veel marktonderzoek gekozen partijnaam die zijn verwantschap met de voetbalminnende volkse Italiaan uitstraalde. Berlusconi realiseerde direct een onmogelijk bondgenootschap. Hij verbond Umberto Bossi van de Lega Nord, die Noord-Italië wilde afscheiden, met de neofascist Gianfranco Fini – die juist pleitte voor een sterke centrale staat. Onder meer vijftig managers uit Berlusconi’s bedrijf kwamen in de Kamer en hijzelf werd premier.

Het werd een flop. Al na een half jaar viel zijn kabinet op een pensioenhervorming die Bossi niet wilde accepteren. Berlusconi voelde zich verraden. Een zeven jaar durende „tocht door de woestijn” volgde. Een periode waarin hij failliet dreigde te gaan, vervolgd werd, maar waar hij zich doorheen knokte.

In 2001 kregen twaalf miljoen Italianen ‘Una storia Italiana’ in de brievenbus: een fotoboek waarin alle successen werden opgesomd van de herboren zakenman Silvio Berlusconi. Hij presenteerde zich zoals Italianen iemand graag zien: als familieman, als voetbalfan, als aanbidder van schoonheid en als zakenman die het land kon leiden als een bedrijf.

Hij won en toonde vrijwel direct zijn ware gezicht. Binnen een paar maanden had hij boekhoudfraude uit het wetboek van strafrecht geschrapt. Binnen een jaar werd het voor justitie moeilijker om belastende informatie uit het buitenland te halen. De staat subsidieerde de aanschaf van decoders voor digitale tv, waarin zijn bedrijf voorop liep. Hij schafte het successierecht af. Redde zijn zender Rete 4 van sluiting. En voerde zijn eigen strafrechtelijke immuniteit in.

Tegen rechters die hem vervolgden voor belastingontduiking, fraude en corruptie verdedigde hij zich door rechtszaken zo lang mogelijk te traineren en verjaringstermijnen wettelijk in te korten. Hij ontnam journalisten die te kritisch waren hun programma. Hij dreigde te kritische kranten hun reclame te ontzeggen.

Maar hij zorgde goed voor wie hem steunde. Zo schafte hij de onroerendgoedbelasting af en bood belastingontduikers tot drie keer de kans voor een habbekrats in het reine te komen met de fiscus. Op tv bleef hij ondertussen moppen tappen.

In 2004 trakteerde Berlusconi zichzelf op een facelift en nieuwe haren. Voor het eerst kwam een mannelijke politicus er voor uit dat hij zich had laten opknappen. Zijn partijgenoten vonden het getuigen van moed.

Het baatte niet. Aan het einde van zijn termijn stond de teruggekeerde voorzitter van de Europese Commissie, Romano Prodi, als zijn uitdager ver voor in de peilingen. Iedereen dacht dat Berlusconi daarmee was afgeschreven. Maar hij streed voort. Herlanceerde zich. Met een indrukwekkende campagne waarin hij al zijn mediamacht inzette, wist hij Prodi net niet te verslaan. Dus verklaarde Berlusconi de tellingen onmiddellijk onrechtmatig. Hij organiseerde een gigantische demonstratie tegen het ‘niet eerlijk gekozen’ kabinet-Prodi – dat na anderhalf jaar sneuvelde door onderling gekibbel.

In 2008 kon hij dankzij dit falen van links opnieuw het premierschap naar zich toe trekken. Twee maanden lang bezette hij alle televisiekanalen. Hij liet zich interviewen, brak telefonisch in bij talkshows en sloot alle politieke programma’s – waardoor kritisch debat onmogelijk was.

Zijn verkiezingsprogramma was simpel. Hij beloofde een einde te maken aan het Napolitaanse vuilnisschandaal en zegde toe de noodlijdende vliegmaatschappij Alitalia Italiaans te houden. Hij presenteerde zich als kandidaat van het „doenerskabinet” en won. Nog nooit was zijn parlementaire meerderheid zo groot.

En nog nooit verspeelde hij zijn riante positie zo snel.

Het ene na het andere corruptieschandaal volgde. Drie ministers moesten aftreden. Zijn voorliefde voor jonge meisjes kwam in de openbaarheid. Het systeem van sjacheraars dat om hem heen zweefde, toonden aan dat hij chantabel was.

Zijn bondgenoot Gianfranco Fini vond het genoeg en brak met Berlusconi. Maar zijn overgebleven aanhang beschermde hem te vuur en te zwaard. „Als hij valt, eindigen we allemaal in de cel”, verwoordde een van hen hun angst. Met geld en mooie banen wist Berlusconi genoeg parlementariërs in zijn kamp terug te lokken om te blijven regeren.

Totdat de markten het vertrouwen vorige week in hem opzegden.

Nu staan de Italianen onder curatele van de Europese Commissie, de Europese Centrale Bank en het IMF. Opnieuw lieten ze zich bedriegen door een sterke man die hen twintig jaar voorging. Na de droom die Mussolini hen tussen 1922 en 1943 voorhield, bleek ook de idylle die Berlusconi tevoorschijn toverde van bordkarton.

Silvio Berlusconi laat Italië achter zoals hij het na het steekpenningenschandaal van de jaren negentig aantrof: angstig, vol wantrouwen, zonder veel hoop op beterschap, met een gigantische staatsschuld. Doordesemd van corruptie en lijdend aan een minderwaardigheidscomplex. Op de rand van de financiële afgrond. En met een goed glas wijn in de hand.