Bang in de ashram

Als je mensen wilt ontmoeten is dit de plek! roept Vlad, de dikke rus,  terwijl hij zijn zware armen uitstrekt. We staan in de Buddha Grove. Een groot stenen plateau tussen enorme bomen in een Indiase ashram. Om ons heen bewegen een stuk of veertig mensen in bordeauxrode outfits op en uit de maat van het nummer ‘Staying alive’.
Ik ben in India om mijn volgende voorstelling voor te bereiden en logeer in het hotel hiernaast. De vlagen muziek waaien sinds mijn aankomst over de hoge muren mijn kamer in. Benieuwd naar wat ik allemaal miste besloot ik langs te gaan.

Toen ik een uur geleden voor de zwaarbeveiligde poort stond en vroeg of ik mee mocht feesten keek de receptionist mij aan alsof ik had voorgesteld zijn moeder voor een zachte prijs te wurgen. Ongelovig, boos en met iets van walging. Dit is geen feesten, zei hij, dit is delen. Ik zei dat ik daar ook voor in was. Hij vroeg of ik een innerlijke behoefte voelde om te delen. Altijd, zei ik. En dat meende ik. Hij leek overtuigd, wees me naar een klein kamertje naast de receptie.

Een gedrongen Indiër pakte hardhandig mijn wijsvinger vast. Aids-test, zei hij. Een gemene prik, een druppel bloed en toen werd ik het kamertje uitgewerkt met een onvriendelijk ‘Bibteen minoet waiting’.
Na bibteen lange minuten kwam hij hoofdschuddend het kamertje uit. Lucky, no Aids. Mijn telefoon moest uit, no photos. Ok, eentje van de pleister op mijn vinger dan. Ik moest, als iedereen, een bordeauxrode jurk aan. En die kost geld. Net als de entrée. En de Aids test. Mijn nieuwsgierigheid won het van mijn irritatie.

De dansers heetten mij welkom met vriendelijk gezwaai en warm geglimlach. Vlad was de eerste die op mij af kwam swingen. Dance! roept hij nu over de snoeiharde muziek heen. Ik tik ongemakkelijk met mijn voet op de maat. Coward! roept Vlad. Love your body, love us! Hij vraagt waar ik vandaan kom. Nederland? Jullie zijn toch zo open-minded? Zijn enorme lijf klotst heen en weer onder de bordeauxrode jurk. Een stokoud Indiaas mannetje met een lange baard komt wiegend op mij af en pakt een hand. Just celebrate, zegt hij. Hij glimlacht lief. Hij heeft maar één tand in zijn mond. Ik smelt. Pak zijn andere hand en besluit dat ik het in ieder geval moet proberen. Ironie is een gebrek aan liefde, zei de man die ik gisteren voor mijn voorstelling interviewde. Hij heeft gelijk. Het mannetje en ik dansen in de schaduw van de grote bomen, omringd door bordeauxrode vrienden. Hij wiegt zijn oude heupjes heen en weer, steeds dichterbij. Hij knipoogt. Dit had ik niet verwacht. Ik duw hem van me af, zoek mijn toevlucht bij een blonde vrouw naast me.

Even dansen we lachend tegenover elkaar. En dan, uit het niets, omhelst ze me. Ik schrik. Sorry, zegt ze, ik voelde een behoefte je dichtbij te hebben. Ik knik, weet niet wat ik moet zeggen. Wat voelde jij? vraagt ze. Weerstand, beken ik.
‘I will survive’ zet in. De vrouw zegt dat het vreemd is dat ik naar een plek kom die bedoeld is om te delen en te ontmoeten, maar me terugtrek als iemand dichtbij komt. Dat is de pest, zegt ze, uiteindelijk zijn mensen gewoon vreselijk bang voor elkaar. Ze kijkt me treurig aan. Misschien heeft ze gelijk. Ik zou haar hier en nu het tegendeel willen bewijzen, maar het mannetje lonkt, Vlad komt weer aangedanst en ik huiver bij de gedachte aan nog een omhelzing. Ik loop weg.