Wat nou 'schuld aan Rotterdam'?

Rotterdam is prachtig vaandel voor Nederland

Met grote interesse heb ik het artikel ‘Fuck de context? Fuck de Koolhaas!’ van Thierry Baudet en Bastiaan Rijpkema gelezen (Opinie & Debat, 5 november).Dit gepassioneerde artikel is geschreven om een lans te breken voor het behoud van de historische stadskernen, vooral die van Rotterdam, en voor een architectuur die voortvloeit uit traditie.

Helaas maken de schrijvers enkele zware missers in hun betoog.

Ten eerste hebben de gemeenten tijdens de wederopbouw geprobeerd de steden leefbaar te maken, met de weinige middelen die toen beschikbaar waren. De afbraak– zonder pardon – van de antieke kernen is later gebeurd, in de jaren zestig en zeventig.

Ten tweede is het overdreven om Rem Koolhaas de ‘schuld’ van het moderne Rotterdam te geven. Hij heeft dit Rotterdam niet ontworpen en – belangrijker nog – hij is niet de vader van de moderne Nederlandse architectuur.

Ten derde is het een grove belediging en een enorme fout om architect Jo Coenen „een Koolhaaskloon” te noemen . Qua stijl, qua aandacht voor de gebruikers, qua respect voor de omgeving en qua liefde voor de traditie is Jo Coenen de tegenpool van Koolhaas.

Ik ben het met de auteurs eens dat het uitvoeren van de megalomane projecten van Koolhaas absoluut geen goede keuze is van de gemeente Rotterdam. Toch moeten de schrijvers weten dat in het buitenland de moderne Nederlandse architectuur sinds de tijd van Berlage enorm geprezen en gewaardeerd is. Rotterdam en – sorry – het gebouw van het Nederlandse Architectuur Instituut zijn in het buitenland een prachtig vaandel voor modern Nederland.

Rosa Visser-Zaccagnini

Architect, Voorburg

Populistische borrelpraat over Koolhaas

De bladeren vallen en ja hoor, iemand voelt weer de behoefte om de moderne architectuur af te zeiken. In dit geval betreft het de twee juristen Baudet en Rijpkema. Zij hebben kennelijk de aandrang gevoeld ons te informeren over hun architectonische smaak. Die smaak is – hierop kon je vergif innemen – traditionalistisch. Overal zou het parool moeten zijn om zo veel mogelijk aan te sluiten bij vooroorlogse, traditionele bouwvormen, ook in grote steden als Amsterdam en Rotterdam. Kijk naar de herbouw van de oude stadscentra van Warschau of Dresden, of naar het werk van de favoriete, traditionalistische architect van prins Charles (Leon Krier). Als de architectuur zich niet naar ‘de menselijke maat’ voegt, zou het resultaat automatisch foeilelijk zijn. O ja? Zijn de auteurs bekend met de vreselijke bloemkoolwijken uit ‘de kritiese jaren zeventig’? In Dresden zijn ze duidelijk evenmin ooit geweest.

In onvervalst populistisch jargon doen de heren juristen liever hun beklag over de „mistige quasikunstenaars” die de teloorgang van „de ziel van Rotterdam” op hun geweten zouden hebben. Kop-van-jut is Rem Koolhaas. De diskwalificatie van diens veronderstelde ‘modernisme’ berust uitsluitend op een simplistisch vooroordeel. Koolhaas heeft bijvoorbeeld altijd kritisch gestaan tegenover het Nederlandse ‘onderwijzersmodernisme’ en het modernisme van Le Corbusier. Het wegzetten van Jo Coenen als een „Koolhaaskloon” is te zot is voor woorden.

Waarom schrijven mensen toch dit soort treurige stukken? De onkunde en het kleinburgerlijke ressentiment die uit dit artikel spreken, zijn ronduit beschamend. Het is populistische borrelpraat van de bovenste plank.

Patrick van der Kroef

Leiden