Verpleegster uit verzet bleef onverschrokken

Nieske Verbeek huilde minutenlang toen ze, net bevrijd uit het concentratiekamp, een veld met witte bloemen zag. Het verlaten van kamp Ravensbrück was het mooiste moment van haar leven. Een van de spaarzame oorlogsherinneringen waarover ze vertelde. De rest van haar verleden, vertelt nichtje Nieske Simoons, zat diep weggestopt. „Het heeft lang geduurd voordat ik te weten kwam wat ze heeft meegemaakt.”

Nieske Verbeek was een dochter van een gereformeerde melkboer. Haar vroegste herinnering: vader die moeder tot kalmte maant na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. „Je hoeft niet te vrezen, alles komt goed”, zei hij. Die woorden heeft Verbeek een leven lang bij zich gedragen, zegt Simoons. „Tot haar dood is ze onbevreesd gebleven.”

In 1938 werd Verbeek wijkverpleegster in het Gelderse Neede. Niet lang nadat de Duitsers binnenvielen, begon ze met het zoeken van onderduikadressen bij boerderijen waar ze over de vloer kwam. Een van de onderduikers was Hanna Polak, een Joodse moeder. „Toen Nieske er lucht van kreeg dat het onderduikadres was verraden, nam ze haar zelf in huis”, vertelt zoon Herman Polak. Tot Nieske Verbeek zelf werd verraden. Hoewel de Duitsers geen onderduiker aantroffen, werd Verbeek opgesloten in kamp Vught.

Vanuit Vught werd Verbeek getransporteerd naar het vrouwenkamp in Ravensbrück, waar ze met Gisela Wieberdink gevangenzat. De Nederlandse herinnert zich haar medegevangene nog goed. „Veel mensen waren verdrietig, maar Nieske niet. Ze was heel vrolijk van aard. Toen zij de tyfus en difterie kreeg, maakte ze zich geen zorgen. We zien wel wat er gebeurt, zei ze altijd.” Bij de bevrijding woog Nieske Verbeek 38 kilo. Om aan te sterken ging ze in quarantaine in Zweden. Daarna trad ze in dienst van het ziekenhuis van Göteborg. Ze werkte zich op tot hoofdverpleegster en specialiseerde zich in de behandeling van tbc-patiënten.

Nieske Verbeek is nooit getrouwd geweest. Haar grote liefde was Karel Verschuur, een verzetsjongen. Hij werd in de oorlog gefusilleerd. „Daarna heeft ze nooit meer iets voor een man gevoeld”, zegt nichtje Simoons. Bitter was ze daar niet om. In Zweden woonde ze samen met haar hartsvriendin, met wie ze veel reisde. Ze overnachtten in jeugdherbergen, want Verbeek was wars van luxe – een nawee van de oorlog, zegt Simoons. „In het kamp heeft ze een sterke overlevingsdrang ontwikkeld.” Dat bleek ook uit het feit dat ze tot ver na haar pensioen bleef werken. Ze reed auto tot haar 92ste.

Twee jaar geleden werd haar verzetswerk beloond met de Yad Vashem-onderscheiding. Toen gevraagd werd of ze het niet eng had gevonden om onderduikadressen te werven, antwoordde ze: „Ik ben nog nooit ergens bang voor geweest. Ik hielp gewoon. Omdat ik als verpleegster gewend was te helpen.”

Op haar honderdste kreeg Verbeek een hersenbloeding, waaraan ze op 15 augustus 2011 overleed.

Andreas Kouwenhoven