Van oude dromen en spattende zeepbellen

Elsbeth Etty neemt wekelijks de stapel binnengekomen boeken door, signaleert en geeft een eerste oordeel. Deze week het Weense fin de siècle, de Amsterdamse beurs, Jan Terlouw.

Ambitieus, erudiet en vooral: razend interessant, dat zijn mijn eerste indrukken van Het mysterie van Wenen door Arnout Weeda (De Bezige Bij, 400 blz. € 29,90), een beschrijving van het artistieke en intellectuele leven in Wenen voor WO I. De auteur verbindt cultuurgeschiedenis met biografische bijzonderheden van de wereldberoemd geworden Weense kunstenaars en geleerden en met filosofische beschouwingen over de verhouding tussen esthetiek en ethiek. Het boek begint en eindigt met de componist Gustav Mahler (1860-1911), maar hij is slechts één van de hoofdfiguren in een Weens pantheon.

Hoe is het mogelijk dat zich in de hoofdstad van het ondergaande Habsburgse rijk een „ware explosie van creativiteit” voordeed, slechts te vergelijken met het Athene van de Griekse oudheid? Wenen was volgens Weeda „het historische kruispunt van de 18de-eeuwse Verlichting”, waar de vervlogen esthetiek van de keizerlijke aristocratie, de conformistische levensstijl van de liberale bourgeoisie en het ethisch individualisme van een nieuwe culturele elite een explosief mengsel vormden. Uiteindelijk spatten alle mooie Weense dromen als een zeepbel uiteen. Ik heb het idee dat ‘Het mysterie van Wenen’ ook iets kan onthullen over sommige mysteries van onze tijd.

De broers Jaap en Max van Praag waren wat tegenwoordig ‘BN’ers’ heet, bekende Nederlanders: Max in de jaren vijftig een gevierd radiozanger, Jaap succesvol zakenman en voorzitter van het glorierijke Ajax dat aan de top van het Europese voetbal stond. De journalisten Ad van Liempt en Marga van Praag (dochter van Max) hebben grondig archiefwerk gedaan en tientallen mensen gesproken voor hun dubbelbiografie Jaap & Max (Nijgh & Van Ditmar, 325 blz. € 24,95). De broers, afkomstig uit een doorsnee joods gezin uit de Amsterdamse Transvaalbuurt, zaten in de oorlog ondergedoken, hun vader, moeder en zusje werden gepakt en in Auschwitz vergast. De onderduik versterkte hun ambitie, levenslust en wilskracht, maar ook bleef er de angst om aanstoot te geven. De soms treurig stemmende, soms grappige details en de kleine verhaaltjes doen ’t hem: een ontroerend boek.

Oud-politicus Jan Terlouw (D66) bundelt in Hoed u voor mensen die iets zeker weten (Lemniscaat, 376 blz. € 19,50) bewerkte lezingen en toespraken, aangevuld met klein literair werk. De titel slaat op religieuze dogmatici. Zelf heeft Terlouw ook zijn zekerheden, met name de betekenis van de mensenrechten en de noodzaak de cultuur en waarden van Europa te verdedigen. „Als je dat niet doet, kom je jezelf een keer tegen. Dat merken we op het ogenblik in ons land”, schrijft hij, doelend op de PVV. Hoewel de bundel nogal een ratjetoe vormt, brengen deze met overtuiging beleden opvattingen er toch een consistente lijn in.

Terlouw mag dan hoopvol zijn over Europa, omdat we wel degelijk een sterke culturele verbondenheid hebben, de crisis op de financiële markten stemt pessimistisch. Maar er is weinig nieuws onder de zon, blijkt uit De bakermat van de beurs door Lodewijk Petram (Atlas, 272 blz. € 24,95). De moderne aandelenhandel ontstond in Amsterdam na de oprichting van de VOC in 1602. „De meest valse en schandelijke handel van Europa”, volgens een 17de-eeuwse bron in dit boek. Ook toen ging het al over opties en futures, premies en koersen, risico en speculatie. Petram, econoom en historicus, beschrijft niet alleen op begrijpelijke manier de opkomst van de handel in kapitaal, maar ook de persoonlijke wederwaardigheden van de handelaren. Met sommigen liep het tragisch af: de Amsterdamse magnaat Van Beuningen werd krankzinnig na de crisis van 1688. Mene tekel.

In de nieuwe roman van Tessa de Loo zijn de goeden intens goed en de slechteriken alleen maar superslecht. Ook in taalgebruik en vertelwijze lijkt Verraad me niet (De Arbeiderspers, 175 blz. € 18,95) op een niet al te best jeugdboek. Dik Trom is een gecompliceerd personage vergeleken bij de eendimensionale karakters van De Loo. De twee broers Michiel en Wolf Klee, zoons van de veearts in een boerendorp, verschillen in alles van elkaar. Michiel (13) is tenger, slim en geeft om de natuur, terwijl Wolf (18) sterk en dom is en van brommers, meiden en bier houdt. Nadat Michiel getuige is geweest van een door zijn broer gepleegde misdaad waarvan een imbeciele jongen de schuld krijgt, komt hij in gewetensnood. Erg naar. Moraal: je kunt maar beter alles eerlijk aan je ouders vertellen. En geen bier drinken. Dan komt het heus goed.

Elsbeth Etty