Ruim voldoende We moeten goed zingen en schrijven, of juist heel slecht

Wie van de zesjescultuur af wil, weet niet wat hij veroordeelt, zeggen Anouk van Kampen en Jan Truijens Martinez. De zesjesman is niet goed, maar streeft ook het slechte niet na.

Weinig geeft meer rust dan een kookprogramma. Het is een wereld waarin de bereidingswijze van pastinaak boeiend is, waar groenten niet langer worden vergeten en de koks met bovenmenselijk geduld elke stap van een uitleg voorzien: „nu pak ik eerst een teentje knoflook” en „over een paar minuten is de pasta al dente”. Dit gebeurt allemaal in een keuken waar nooit is gemorst of geknoeid. Elke dag serveren koks als Nigella Lawson en Rudolph de kijkers, gestrest door de alledaagse drukte, rond etenstijd kant-en-klare rust.

De populariteit van deze programma’s heeft kort geleden geresulteerd in een televisiezender die non-stop kookprogramma’s uitzendt. Deze zender vormt met zijn rustige televisiekoks evenwel steeds meer een uitzondering. Met de komst van koks als Gordon Ramsay is de wereld van de kookprogramma’s op haar kop gezet. Het is gedaan met de rust, nu de veranderingen binnen de kookwereld tot gevolg hebben dat geen enkele zichzelf respecterende kok het zich nog kan permitteren om niet elke vijf minuten schuimbekkend boven zijn amuses te hangen.

Ramsay is niet in zijn eentje verantwoordelijk voor deze omwenteling, maar de introductie van het wedstrijdelement heeft de kookwereld veranderd. Het rustige uur luisteren naar de kalmerende stem van een kok heeft plaatsgemaakt voor zwetende kandidaten die tegen elkaar strijden om de beste boeuf bourguignon. Een aspirant kok moet niet alleen goede gerechten maken – hij moet ook winnen. Door middel van een voortdurende concurrentiestrijd en onmogelijke opdrachten wordt het kaf van het koren gescheiden. Een echte chef, lijkt de boodschap, word je alleen door middel van een culinaire bootcamp.

Languit op de dansvloer

Deze gastronomische microkosmos vertoont een opvallende gelijkenis met de buitenwereld. Het is niet alleen alles of niets in het land van de kookprogramma’s. De tendens strekt zich verder uit dan het meest in het oog springende voorbeeld van de topsport. De gedachte dat we alles moeten geven, vinden we ook terug op scholen en universiteiten. Elk schooljaar begint met een docent, hoogleraar of professor die de oorlog verklaart aan de matige student. Zo schreef voorzitter Sijbolt Noorda van universiteitenkoepel VSNU dit jaar aan staatssecretaris Zijlstra (Onderwijs, VVD) „De toenemende internationale concurrentie vereist een cultuuromslag.”

De cultuuromslag waarop hij doelt, is het te lijf gaan van de vermeende zesjescultuur – de instelling waarbij niet tot het uiterste wordt gegaan, omdat het ook zonder topprestatie prima gaat. De zesjesmentaliteit is een hang naar middelmatigheid. Deze moet worden tegengegaan door concurrentie, discipline en ambitie, ongeacht of het koken, studeren of sporten betreft.

In het nieuwste seizoen van het inmiddels overbekende Oh Oh Cherso mogen de acht Hagenezen als echte juryleden nieuwe castleden uitkiezen. In 2010 keek een miljoenenpubliek nog vol verbazing naar een groepje jongeren dat weinig andere bezigheden leek te hebben dan te veel drinken en zo schaamteloos en ordinair mogelijk op televisie verschijnen. Een jaar later zijn ze niet alleen dusdanig ‘normaal’ geworden dat de kijkcijfers drastisch zijn gedaald, maar ze zijn ook zo succesvol geworden dat ze worden geacht te functioneren als een serieuze jury die kan inschatten of de nieuwe feestvrienden goed genoeg zijn. Zelfs binnen een categorie die sommigen als verderfelijke televisie bestempelen, waarvan anderen zich afvragen of ‘dom zijn’ de enige manier is om bekend te worden, en die anderen simpelweg bewonderen, blijkt er een ‘goed slecht’ en ‘slecht slecht’ te zijn. Sommige kandidaten vinden de juryleden toch te saai, te gereserveerd, te vreemd of simpelweg niet raar genoeg.

Een jury bestaande uit leden die alleen een graad in ‘feesten’ bezitten, lijkt het tegenovergestelde van een prestatiemaatschappij met een afkeer van de zesjescultuur, maar ook Oh Oh Cherso vloeit hieruit voort. De manier waarop we kijken naar prestatie is dezelfde als die waarmee we de Hagenezen en anderen bekijken. We zijn niet slechts doordrongen van het feit dat we moeten presteren, maar vooral van het idee dat we elke dag moeten bewijzen hoe bijzonder we zijn. Politici met een angst voor de zesjescultuur en talentenjachten hebben met elkaar de angst voor de middenmoot gemeen. Dit betekent aandacht voor degene die goed presteert, maar ook voor degene die slecht presteert. Zo zien we in So You Think You Can Dance bij de audities slechts twee soorten kandidaten – de slechtste en de beste. Aan Oh Oh Cherso mogen alleen de besten van de slechtsten meedoen.

De prestatiemaatschappij en de ‘castingmaatschappij’ hebben gemeen dat ze aandacht hebben voor degene die bijzonder is in wat hij of zij doet – voor degene die kan uitblinken. Wie aardig kan zingen, maar geen nieuwe Adele is, niet al te dom is, maar ook niet heel intelligent, wel een drankje lust, maar niet dagelijks languit over de dansvloer eindigt en alles steeds wel haalt, maar nooit glansrijk, is niet bijzonder genoeg om aandacht te krijgen.

Hoewel wat we op televisie zien ver van ons af lijkt te staan, blijkt het slechts een uitvergrote vorm te zijn van de weerzin tegen de zesjesmentaliteit die wij in ons dagelijks leven tegenkomen. Overal worden we verwacht onszelf volledig in te zetten, in ‘goed zijn’ of in ‘slecht zijn’. Steeds weer zoeken we de extremen op. De middenweg van het zesje is niet genoeg. Wie ertussen valt en niet opvalt, is onbelangrijk. We moeten uitblinken, opvallen en anders zijn, voordat we verdwijnen tussen voor altijd vergeten stapels informatie.

Een doodzonde

Het afkeuren van de zesjesmentaliteit is niet zomaar een variant van de geijkte kritiek op ‘de jeugd van tegenwoordig’, waarbij elke generatie de vorige hoofdschuddend gadeslaat. Met het dreigende faillissement van Griekenland, de aanhoudende economische crisis en de opkomst van landen als China is de zesjesmentaliteit niet een kleinschalige irritatie over lanterfantende jongeren, maar een probleem van internationale proporties. Het geloof bestaat immers dat we een bepaald slag mensen nodig hebben om uit deze barre tijden te komen – mensen die altijd presteren en het beste uit zichzelf weten te halen. Het zesje is iets geworden wat tussen ons en de overwinning in staat.

In de discussie over de zesjesmentaliteit blijven de gevolgen van de prestatiecultuur onderbelicht. Deze cultuur veronderstelt twee soorten mensen: degenen die presteren – door heel goed of heel slecht te zijn – en degenen die dat niet doen.

Wie niet presteert, wordt de grijze muis van de middenmoot, vergezeld door andere mensen zonder onderscheidende kwaliteiten. Aan de andere kant staan de uitblinkers, onder wie de mensen die summa cum laude zijn afgestudeerd, maar ook moderne televisiehelden uit programma’s als Oh Oh Cherso en Echte Meisjes In De Jungle. Deze tegenstelling maakt ons tot karikaturen, die geen recht doen aan de complexiteit van de mens. Behalve dat ze ons tot binaire opposities reduceren, hebben ze ook gevolgen voor de wijze waarop mensen zichzelf zien. Dit wordt bevestigd in de openlijke afkeuring van mensen die niet het beste uit zichzelf halen. Tevreden zijn met minder is een doodzonde. Niet meedoen betekent niet meetellen.

Het punt is niet dat er terecht wordt geklaagd dat er moet worden gepresteerd, dat middelmatige studenten het zo zwaar hebben of dat vooruitgang en het uiterste uit jezelf halen het kwaad vertegenwoordigen. De houding tegenover de zesjesmentaliteit heeft evenwel gevolgen voor de plaats die eenieder van ons inneemt in onze samenleving. Het is een kanttekening die bekeken moet worden voordat men vervalt in een roep om beter presterende mensen.

In een prestatiemaatschappij streeft iedereen ernaar op te vallen, maar is er slechts een beperkt aantal plaatsen op te vullen. Meer presteren neemt niet weg dat een overschot aan mensen behouden blijft dat eerst tot de middenmoot behoorde, maar nu steeds meer wordt gerekend tot een grote groep afvallers. De middelmatige mens loopt tegen dit probleem aan.

Het beperkte aantal plaatsen in het bedrijfsleven wordt vergeven aan de besten. Talloze afgestudeerden ontdekken na voltooiing van een universitaire opleiding dat ze niet meetellen. Voor hun middelmatige cijfers is in de prestatiemaatschappij geen plaats. Een grimmiger toekomstbeeld bevindt zich zelfs aan de andere kant van de Atlantische Oceaan. In de Verenigde Staten is de middenklasse grotendeels verdwenen. Ze heeft plaatsgemaakt voor een kloof tussen een selecte groep winnaars en een overgrote meerderheid kanslozen.

De vraag is of de fixatie op groei en prestatie ons in tijden van economische crisis vooruit zal helpen. Misschien kunnen we zelfs zo ver gaan te stellen dat de fixatie op blind presteren er mede aan heeft bijgedragen dat we zijn beland in deze situatie. Het moment is gekomen om na te denken over onze obsessie met presteren. In een tijd met minder mogelijkheden voor middelmatige mensen draagt de afkeer voor de zesjescultuur bij aan een gapend gat tussen wie wij zijn en wie wij hadden moeten zijn.

Het zesje

We moeten opklimmen in onze baan. We hadden betere cijfers moeten halen op de universiteit. We moeten goed zingen, dansen, schrijven of drinken. Als dit niet lukt, hadden we er overtuigend slecht in moeten zijn, maar soms zijn we middelmatige studenten, lijken we nooit verder te komen dan die ene saaie bureaufunctie, zitten we werkloos thuis en is ons gezang onder de douche wel om aan te horen, maar liever niet te veel daarbuiten. Teleurgesteld lezen we interviews met leeftijdsgenoten die een gouden toekomst tegemoet gaan, kijken we films met een held die na talloze tegenslagen toch eindigt als winnaar en zoeken we YouTubefilmpjes op van telefoonverkopers die wegkwijnden in nietszeggendheid om vervolgens voor uitverkochte zalen de meest imposante aria’s te zingen. Onze middelmatigheid is alomtegenwoordig. Toch lijkt ze onacceptabel.

De manier waarop we de middenmoot – het zesje – verwerpen, verraadt een gebrek aan nuance. We moeten ons doel vol overtuiging en met succes behalen. Minder dan perfect is niet genoeg, maar hiermee versimpelen we alles tot een wereld van uitersten. Hierin wordt wellicht juist de keuze om buiten de prestatie- of castingmaatschappij te vallen steeds opvallender. Terwijl het anders-zijn altijd wordt aangemoedigd, net als het lef dat hiervoor nodig is, is degene die buiten het dogma valt juist degene die durft hetzelfde te zijn. Steeds weer gedwongen ons leven door ambitie en eigenzinnigheid vorm te geven, wordt het moeilijkste niet zozeer om te mislukken, maar ervoor te kiezen dit niet erg te vinden.

Wie niet aan de prestatiemaatschappij meedoet, heeft geen gezicht. Het is niet de kok die zijn personeel tot op het bot vernedert als de zalm niet van buiten knapperig en van binnen nog donkerroze is. Het is niet de fanatieke student die steeds weer negens haalt en op weg is naar een glansrijke carrière. Het is niet iemand die zich onderscheidt door zijn originaliteit of gedrevenheid.

Het is iemand die de middelmatigheid met verve vertegenwoordigt. Hij kookt rustig en vindt het niet erg als zijn pasta papperig is geworden. Hij weet dat de zes voor literatuur zijn liefde voor het geschreven woord niet minder maakt. Hij was niet degene die het laatste werd gekozen met voetbal, maar ook nooit de sterspeler. Hij is iemand die tevreden is met de prestaties die hij haalt, zonder altijd alles te hoeven geven en zonder de druk te voelen om uit te blinken.

Zijn aandacht ligt niet in de toekomst, maar in het heden. Toch biedt juist hij een perspectief voor de toekomst. Hij kan zichzelf ook zonder carrière in de spiegel aankijken. Hij weet dat hij al iemand is, ook zonder te schitteren. Dit zesje dicht het gat tussen wie we zijn en wie we hadden moeten zijn, door simpelweg tevreden te zijn.

Anouk van Kampen haalde cum laude haar bachelor kunstgeschiedenis en cum laude een onderzoeksmaster cultural analysis. Jan Truijens Martinez is cum laude afgestudeerd in de literatuurwetenschap. Hij haalde cum laude zijn bachelor rechten.Samen wonnen ze een zilveren medaille bij een essayprijsvraag van NRC Handelsblad en de Koninklijke Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen.