Romantiekwedloop

Monique Snoeijen schrijft de soundtrack van haar leven. Deze week: een bezoek aan Parijs.

‘En dan? Dan ben je in fucking Parijs. En dan?’

Het was Kluun die deze zin twitterde, vlak voordat ik met mijn tijdelijke verkering naar Parijs zou gaan. Dagenlang prevelde ik de woorden als een mantra voor me uit. ‘En dan? Dan ben je in fucking Parijs. En dan?’ Ik zag er nogal tegenop. De romantiekwedloop die miljoenen geliefden al eeuwenlang voeren in Parijs, verlamt me telkens weer.

Daar had ik op mijn veertiende nog geen last van. Mijn ouders hadden de caravan naar een camping in Bois de Boulogne gesleept en in de straten van Parijs hapte ik naar adem. Ik wist opeens hoe mijn toekomst er uit moest zien. Ik zou trouwen met een knappe Parijzenaar en een klassiek appartement bewonen aan Place des Vosges. „Hier ga ik later studeren”, deelde ik aan mijn ouders mee toen we langs de Université Paris-Sorbonne liepen. „Ja, en ik ben de keizerin van China”, zei mijn moeder.

Drie jaar later reed ik achter op een scooter door de Parijse nacht. Een rebelse Fransoos, ene Jean-François die ik op vakantie had opgedoken, nam me mee naar kleine theatertjes, liet me liedjes van Serge Gainsbourg horen en zei dat ik bijna net zo mooi was als Isabelle Adjani. Ik studeerde weliswaar niet aan de Sorbonne – het was een taalcursus voor au pairs geworden – maar ik was er toch maar. Mijn leven was begonnen.

Maar na een paar maanden verloor Jan-Frans zijn interesse in het steeds dikker wordende Nederlandse meisje en was mijn enige betekenisvolle verhouding die met een meisje van vier dat me elke ochtend met een furieuze blik in haar ogen (denk: The Exorcist) vanboven haar kom met chocopops toe siste: „Va t’en. Tu n’es pas belle. Tu es moche. (Ga weg, je bent lelijk)”

Als ik vrij was, dan sliep ik, soms het hele weekeinde, omdat ik niet wist wat ik anders doen moest.

Zes jaar geleden was ik er weer. Mijn dochters hadden geklaagd: iedereen uit hun klas was al in Parijs geweest. Dus deden we wat van ons als gezin werd verwacht: we lagen in het gras onder de Eiffeltoren, lieten ons silhouet knippen op Place du Tertre en kochten bij een straattentje crêpes met nutella. Het was een vrolijk uitje, maar met groots en meeslepend leven had het weinig van doen.

Net zo min als mijn laatste bezoek aan Parijs, samen met mijn liefste vriendin. Ook haar had Parijs nooit veel gebracht. Als jonge actrice was ze hier wakker geworden naast een acteur van formaat, maar romantisch was het niet geworden „Nou moeten we het zeker doen, omdat we in Parijs zijn”, had hij gezegd. Dit keer werd ze wakker naast een huilende vrouw. Ik huilde omdat ik niet terug naar huis wilde. Niet omdat ik Parijs nou zo fijn vond, maar omdat het thuis al een tijdje niet meer zo gezellig was. Thuis moesten knopen worden doorgehakt.

Nu ben ik dan in Parijs met mijn tijdelijke verkering. En dertig jaar nadat ik voor het eerst de Eiffeltoren zag, beleef ik hier dan toch nog een romantisch weekeinde. Eindelijk laat iemand me zien wat geliefden hier te zoeken hebben: hetzelfde als thuis. In Parijs moet je gewoon doen wat je thuis ook doet. Overdag joggen (door Jardin du Luxembourg), ’s avonds aangeschoten naar Die hard met Bruce Willis op tv kijken (in een kleine hotelkamer in Saint-Germain-des-Prés) en de volgende ochtend, als Parijs al lang wakker is, je nog eens omdraaien en je wentelen in de armen van je lief. Laat ze buiten maar allemaal de pestpokken krijgen, die romantici met hun nuits blanches en amours fous. Ik laat me niet meer gek maken. Ook niet door Parijs.

    • Monique Snoeijen