Operatie Suriname

Het is dus allemaal waar. Nederland had eind 1986 vergevorderde plannen om samen met de Verenigde Staten militair in te grijpen in Suriname. Geen evacuatieplan voor noodgevallen die bestaan voor „alle landen waar zich grotere concentraties van Nederlanders bevinden”, zoals toenmalig minister van Buitenlandse Zaken Van den Broek (CDA) destijds sussend stelde, maar een grootschalige invasie om „orde en recht” in het land te herstellen.

De nieuwe informatie blijkt uit antwoorden op vragen van het Tweede Kamerlid Van Bommel (SP), die de ministers Rosenthal (Buitenlandse Zaken, VVD) en Hillen (Defensie, CDA) deze week naar het parlement stuurden. Er bestond 25 jaar geleden het serieuze voornemen met behulp van de Amerikanen Nederlandse militairen in de voormalige kolonie in te zetten.

Voor een voorspoedige en veilige uitvoering van een dergelijke operatie zou „het noodzakelijk zijn geweest tijdelijk het vliegveld en de doorgangswegen onder controle te krijgen, alsmede de Surinaamse strijdkrachten en de legerleiding tijdelijk te neutraliseren”. Dat is qua inzet toch wel van een andere orde dan het sturen van een helikopter naar een Libische kustplaats om een Nederlander op te halen.

Opvallend is dat de brisante antwoorden van beide ministers in de Tweede Kamer nauwelijks tot enige reactie hebben geleid. Alleen Van Bommel vroeg om een nader onderzoek. Toegegeven, verhalen over militair ingrijpen in Suriname doen al langer de ronde. Voormalig Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Shultz schreef begin jaren negentig in zijn memoires dat de regering-Reagan kort na de Decembermoorden van 1982 in Suriname een militaire interventie overwoog. Dit stuitte toen op verzet van het kabinet-Lubbers.

Waar het nu over gaat, is een plan uit 1986 waarover de Volkskrant een jaar geleden tot in detail berichtte. Eerder was in een 2007 verschenen biografie over de Amerikaanse president Reagan sporadisch gewag gemaakt van het voornemen. Naar aanleiding van dat boek stelde Van Bommel vragen aan de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken, Verhagen (CDA). Deze relativeerde de kwestie door te stellen dat het slechts ging om een onderzoek naar de mogelijkheden van een evacuatieoperatie.

Dat het kabinet zo vier jaar geleden verre van het totale verhaal gaf, is de zoveelste uiting van de helaas nog altijd overheersende Nederlandse bestuurscultuur die zegt dat openheid geen vanzelfsprekendheid is, maar een last. Toen de tegenwoordige vicepremier Verhagen in 2007 zijn onvolledige, om niet te zeggen misleidende antwoorden gaf, was hij bijvoorbeeld samen met premier Balkenende nog druk doende een onderzoek naar de Nederlandse betrokkenheid bij de Irak-oorlog tegen te houden.

In hun antwoorden van deze week erkennen de huidige ministers dat „het beter zou zijn geweest” als indertijd al een uitgebreider onderzoek was gestart. Zo kan het onjuist informeren van het parlement ook worden geformuleerd.

Onduidelijk blijft ondertussen of het invasieplan uit 1986 is opgesteld met medeweten van de Surinaamse regering, die belang zou hebben bij de arrestatie van legerleider Bouterse, de huidige president van Suriname. Ook onduidelijk is hoe dichtbij de uitvoering van het plan was. Er is geen politieke besluitvorming geweest, schrijven de ministers. Maar de zaak was wel dermate serieus dat de direct betrokken ministers de fractievoorzitters van de vier grootste partijen al in vertrouwen op de hoogte stelden.

Voorts bestaan verschillende lezingen over de stimulerende rol die het hoofd van de Nederlandse militaire missie in Suriname, kolonel Valk, zou hebben gespeeld bij de coup van de Surinaamse militairen in 1980. Zo blijft er veel mist hangen boven de Nederlandse relatie met Suriname nadat dit land in 1975 onafhankelijk werd.

Kortom, na alle desinformatie is het de allerhoogste tijd voor een breed onderzoek, resulterend in echte openheid.