'Op straat ben ik binnen een week dood'

Anton van IJzendoorn leefde zes jaar op straat. In 2006 werd hij opgevangen: verslaafd en tandeloos. Hij wil nooit meer zwerven.

‘Wat kun je diep vallen. Ik ben tot op de bodem gekelderd. En dan moet je er maar uit zien te komen. Treetje voor treetje. Uit de goot naar boven.”

Anton van IJzendoorn, 61 jaar. Grijs haar in een staartje. Tatoeages over zijn hele lichaam. Twee gouden tanden in zijn kunstgebit.

Ooit had hij een vrouw, een gezin. Zesentwintig jaar heeft hij als touringcarchauffeur gewerkt. Drie keer tijdens het gesprek somt hij de bestemmingen op. Hij heeft ze prima op een rijtje.

Maar ergens ging het mis. Hij kreeg een beroerte. En direct na de revalidatie nog één. Hij raakte verslaafd. Hij gebruikte het hele scala: alcohol, hasj, heroïne, cocaïne. Zijn vrouw heeft hem kansen genoeg gegeven voor ze hem het huis uitzette. Met een gebruiker valt niet te leven.

Hij zou achterstevoren naar Barcelona kruipen als hij het mocht overdoen. „Maar dat gaat niet, hè.”

Zeven jaar heeft hij op straat geleefd. Als iemand bij de snackzaak van Bram Ladage op het Beursplein een half gevuld zakje patat weggooide, haalde hij het uit de vuilnisbak. Als hij geen dope had, praatte hij met andere gebruikers over dope. Droogroken, noemen ze dat. Als hij de boetes voor op straat drinken niet meer kon betalen, draaide hij de gevangenis in. Daar was het in elk geval warm. Net zoals in de winter achter het tropisch zwembad Tropicana waar hij op de afzuiginstallatie in de chloorlucht lag.

Hij heeft nog twee beroerten gehad. Daar kwam hij wonderbaarlijk goed van af. Hij hield er alleen een klapvoet aan over. Hij leest niet meer zo snel als vroeger. En hij is alle „dure woorden” kwijt. Op één na: „representatief”.

Hij heeft meerdere keren een afkickbehandeling ondergaan. Maar dan kwam hij buiten en ging hij weer de fout in. „Ik red het niet alleen.” Toen hij in het zorgcentrum Slinge van verslaafdenzorginstelling BoumanGGZ terechtkwam, woog hij veertig kilo en had hij geen tand meer in zijn mond.

Anton woont nu bijna vijf jaar in een voorziening voor Intensief Begeleid Wonen aan de Fideliolaan in Hoogvliet. Woonvoorzieningen voor verslaafde ex-daklozen zijn er in soorten en maten, afhankelijk van hun mogelijkheden en behoeften. Voor mensen die de meeste hulp nodig hebben en een risico vormen voor anderen en zichzelf is er het halfgesloten woonzorgcentrum. Mensen die het meest zelfstandig zijn, kunnen op zichzelf wonen, met begeleiding in de buurt. Voor de tussengroep is er Intensief Begeleid Wonen, met 24 uur per dag begeleiding. De voorziening aan de Fideliolaan is in Rotterdam de meest laagdrempelige. Bewoners mogen in hun kamer drugs gebruiken. Van hun verslaving afkomen wordt voor deze groep als onhaalbaar beschouwd.

Anton laat trots zijn kamer zien. Een tafel met vier stoelen. Twee kasten. Een bed bij het raam. Op zijn nachtkastje een fotolijst met pasfoto’s van medebewoners. Aan de muur een vogelkooi zonder vogel. Huisdieren mag je hier niet houden. Maar hij kon het kooitje goedkoop kopen. Als hij ooit nog eens een eigen huisje krijgt, zet hij er twee dwergpapegaaien in. Hij houdt van knus en gezellig.

Verspreid over zeven verbouwde appartementen in een galerijflat is hier ruimte voor 32 bewoners. Woonbegeleiders helpen hen „hun autonomie te behouden en te vergroten”, zoals senior woonbegeleider Chanine Hazelof (31) zegt. Elke bewoner heeft een woonzorgplan waarin zijn persoonlijke doelen staan. Dat kan zijn: zichzelf elke dag wassen, regelmatig eten, één keer in de week het bed verschonen, zelf boodschappen doen. „Voor mensen die zo verslaafd zijn als onze doelgroep, heeft voedsel geen prioriteit’’, zegt Hazelof. „Mensen die jaren op straat hebben geleefd, weten zich met een hoeslaken geen raad. Orde, netheid en hygiëne hebben elke betekenis verloren. Zolang er geen ratten rondlopen op hun kamer, vinden ze het wel best.’’

Bewoners moeten zich hier aan huisregels houden, ook al vinden ze dat niet leuk. Een keer in de week samen schoonmaken. De buurt niet tot last zijn. Geen geweld gebruiken. ’s Avonds binnen zijn voor 20.00 uur (op werkdagen) of 22.00 uur (weekend).

Zo hebben ze bijna allemaal een dagbesteding, zodat ze niet weer gaan zwerven en terugvallen in hun oude routine. Ze koken zelf, doen zelf inkopen. Van hun voedselgeld mogen ze geen tabak of alcohol kopen. Bonnetjes worden gecontroleerd.

Gaan ze in de fout, dan volgt een gesprek, eventueel een aanpassing van het woonzorgplan, desnoods een overplaatsing als de Fideliolaan niet de juiste plek voor ze is. „Je mag ze niet te snel laten vallen’’, vindt Hazelof. „Anders vullen ze zo weer de straten van Rotterdam. Ze zijn overal al uitgezet, uitbehandeld, weggejaagd. Je moet ze laten ontdekken wat ze wel kunnen. Na een wenperiode komen de meesten hier tot rust, tot een zekere mate van zelfstandigheid. Ze voelen zich hier thuis.”

Anton dankt „God op zijn blote voeten” dat hij hier zit. „Als ik weer op straat moest leven, was ik binnen een week dood.”