Onvoorzichtig met jongetjes

Bisschoppen, vicarissen en pastoors hielpen elkaar bij het overplaatsen van pedofiele priesters en het toedekken van hun daden. Het dossier van kapelaan Sjef en zijn aanhoudende ‘zwakheden’ is bewaard gebleven. „Een uiterst pijnlijk en delikaat geval.”

Petrus Moors was nog maar net benoemd tot bisschop van Roermond toen hij een brief op zijn bureau kreeg van bisschop Louis-Joseph Kerkhofs uit Luik. Dat was februari 1959. Kerkhofs verontschuldigde zich in de brief uitgebreid dat hij zijn Nederlandse collega nog vóór diens officiële wijding moest lastigvallen, maar het was een dringende zaak. Kerkhofs zat met „een uiterst pijnlijk en delikaat geval van een jonge priester”, schreef hij.

„De jonge priester waarvoor ik uw hulp durf in te roepen is een achttal jaren priester, bekleedde een tweetal verschillende plaatsen en kreeg als kapelaan in Zwartberg moeilijkheden met het Belgisch gerecht, wegens onvoorzichtigheid met jongens. De socialistische pers heeft nog al wat ruchtbaarheid aan de zaak gegeven, zodat ook het gerecht betrekkelijk streng tegen de priester is opgetreden. Hij werd veroordeeld tot drie jaren gevangenisstraf.”

Wat moest Kerkhofs met de kapelaan? Misbruik van jongetjes was een doodzonde. Volgens het kerkelijk recht had de bisschop de onvoorzichtige geestelijke uit zijn ambt kunnen laten zetten. In plaats daarvan kreeg de kapelaan bescherming. Maar een nieuwe plaatsing in België was uitgesloten, ook al „omdat de linkse pers indertijd te veel over het geval heeft geschreven.” Om die reden wendde Kerkhofs zich tot Moors. Of hij deze kapelaan „die zo zwaar tekort kwam maar ook ernstige tekenen van berouw en beternis gaf” niet kon helpen? De „ideale oplossing” was dat hij voorlopig in het bisdom Roermond aan de slag zou kunnen gaan.

Kerkhofs: „Ik ben er mij bewust van, Excellentie, dat wij U hiermede een grote en uiterst delikate dienst vragen; ik dank U van ganser harte voor de bereidwilligheid waarmede U dit geval zult onderzoeken en kan U de verzekering geven dat wij, van onze kant, altijd bereid zullen gevonden worden om deze dankbaarheid door een of andere wederdienst te uiten.”

De brief van bisschop Kerkhofs komt uit het personeelsdossier van kapelaan Sjef S. Het dossier lag een halve eeuw in het archief van het bisdom Roermond. Toen dit jaar een van de slachtoffers van de kapelaan een klacht indiende bij de klachtencommissie die het seksueel misbruik in de Rooms-Katholieke Kerk onderzoekt, gaf het bisdom het dossier aan het slachtoffer. Deze krant beschikt over een kopie.

Eenvoudige jongen

Er is veel verteld over seksueel misbruik van kinderen door medewerkers van de Rooms-Katholieke Kerk. De zaak van kapelaan Sjef S. stijgt daar bovenuit doordat in dit dossier het doen en laten van de kerkleiding zorgvuldig is gedocumenteerd. De documenten laten zien welke inzichten over seksueel misbruik in de jaren 50, 60 en 70 van de vorige eeuw leefden binnen de Kerk, en hoe het misbruik afgehandeld werd.

De brief van de Luikse bisschop Kerkhofs ging vergezeld van een verslag van geneesheer-directeur J. P. de Smet van de Rooms-Katholieke Sint Willibrordusstichting, een psychiatrische kliniek in het Noord-Hollandse Heiloo. De Smet had de kapelaan onderzocht. Hij stelde vast dat de kapelaan „als eenvoudige jongen van het platteland, opgroeiend in een vroom conservatief milieu en daarna op het seminarie (...) niet geheel uitgegroeid was tot mannelijke volwassenheid. Het duidelijkst bleef dit aantoonbaar in de ontwikkeling van de erotiek, die nimmer verder is gekomen dan een gehechtheid en nadien een geprikkeldheid met jongens. Dit gebeuren, door hem zelf als zeer afkeurenswaardig ervaren, stond geïsoleerd in zijn persoonlijk leven, verdrongen uit zijn beleving van het priesterschap.”

De Smet achtte het „niet noodzakelijk” dat de kapelaan onder controle van een psychiater kwam. „Van mijn kant is er geen bezwaar om hem in zijn priesterlijke bediening, eventueel in het bisdom Roermond, te doen terugkeren. Uit overwegingen van voorzichtigheid zou ik willen stellen, dat hij niet belast dient te worden met de mannelijke zielzorg.”

Bisschop Moors hielp zijn collega uit Luik. Vanaf 1 mei 1959 mocht kapelaan Sjef aan de slag als assistent van pastoor N. Prompers van de St. Joseph-parochie in Broekhem-Valkenburg. Hoewel door De Smet afgeraden, deed hij ook de mannelijke zielzorg.

Opvallend weinig rumoer

Het ging opnieuw fout, blijkt uit een brief van 11 april 1961 van de vicaris-generaal Petrus van Odijk van het bisdom Roermond aan geneesheer-directeur De Smet. Of die niet toch nog eens met de kapelaan zou willen praten. Van Odijk: „Voor enige weken vernam ik dat [naam kapelaan], die onze bisschop tijdelijk had overgenomen en als kapelaan in Broekhem had geplaatst, weer iets onvoorzichtig was geweest.”

De kapelaan sprak met De Smet en bezocht later, omdat de afstand naar Heiloo bezwaarlijk was, een keer een zenuwarts in Heerlen wegens zijn aanhoudende „zwakheden”.

Het was in deze periode dat de kapelaan zich opnieuw vergreep aan jongetjes. De Valkenburgse pastoor Prompers informeerde op 4 september 1964 het bisdom over zijn kapelaan: „Hij is zeer gesloten en ik kan dus alleen maar gissen. Uiteraard heb ik met hem over precaire punten alleen gesproken als er periculum in mora [risico bij uitstel] was. Bij die gelegenheden was hij eerlijk en biechtte op mijn verzoek gevallen op, die niet bekend waren. (...) Blijvende medische controle lijkt mij geboden. Hoewel er (buiten de betrokken gezinnen) opvallend weinig rumoer is geweest, geloof ik dat hij suo tempore [in zijn tijd] toch ergens met een schone lei moet kunnen beginnen.”

Voor het bisdom bleef de kapelaan een voortdurende zorg. Op 21 april 1966 legde vicaris-generaal Van Odijk de kwestie per brief voor aan zenuwarts H. Kreutzkamp in Heerlen. Hij meldde dat de bisschop van Roermond de kapelaan „een nieuwe kans” had willen geven. „In die jaren heeft hij in ons bisdom vrij goed gewerkt, toch zijn er enige keren dingen voorgevallen, welke wij gelukkig buiten de Justitie hebben kunnen houden.”

Kreutzkamp sprak met de kapelaan. De arts was „niet ontevreden”, blijkt uit een brief van Van Odijk. Maar Kreutzkamp was „reëel door te zeggen, dat bij dit soort gevallen men nooit zeker is dat iemand niet zal hervallen”. Daarmee was de diagnose van Kreutzkamp alarmerender dan die van De Smet uit Heiloo, zeven jaar eerder.

Het bisdom Roermond wist dat kapelaan Sjef in herhaling viel. Maar dat was geen belemmering om hem op nieuwe standplaatsen te benoemen, blijkt uit latere briefwisselingen. Eind 1966 vertrok de kapelaan naar de H. Clemensparochie in Hulsberg, ook in Zuid-Limburg. Opnieuw zielzorg, opnieuw met misdienaars in zijn buurt.

Ook daar deden zich problemen voor. De kapelaan, inmiddels voorzien van een huishoudster, Tonny, met wie hij een verhouding had, maakte doorlopend ruzie met de pastoor. Het geduld van vicaris-generaal Van Odijk raakte langzaam op. Zijn oordeel werd harder. In een brief uit 1968 schrijft hij: „Omdat wij menen dat hij nogal geestelijk ziek is, hebben wij hem aangeraden een goede nieuwe psychiater te nemen. Dokter Dewez te Sittard ziet zijn situatie weinig hoopvol. Hij is zwaar gestoord en de dokter acht het eigenlijk niet verantwoord als het over een maatschappelijke functie ging, dat hij deze nog zou kunnen bekleden.”

Prachtig samenwerken

Het inzicht dat de kapelaan ernstig ziek was, bestond in 1968 bij het bisdom. Net als het advies om hem geen maatschappelijke functie meer te geven. Toch kwam er weer een nieuwe standplaats. Op 1 maart 1969 benoemde bisschop Moors hem tot kapelaan van de H. Hart van Jezusparochie in Venlo. „Hier heeft hij een zeer goede pastoor en twee uitstekende en hardwerkende collega’s als kapelaan”, schreef de vicaris-generaal. „Wij meenden dat vooral de aanwezigheid van deze twee zeer goede kapelaans welke prachtig samenwerken voor hem een goede mogelijkheid bood om opgevangen te worden en meegenomen te worden bij het verrichten van zijn zielzorgtaak. (...) Helemaal gerust zijn wij er echter nog niet op, omdat hij bij de benoeming toch weer liet blijken dat het niet helemaal was zoals hij zichzelf had voorgesteld. Enfin, wij zullen er maar het beste van hopen.”

Op 1 juni 1975 legde de kapelaan zijn priesterambt neer, laadde zijn meubels in en vertrok met huishoudster Tonny naar Zuid-Limburg. Terugblikkend schreef pastoor Hafmans van de H. Hart van Jezusparochie in januari 1976 aan het bisdom dat er ook in Venlo gedoe was geweest met de kapelaan: „Hij werkte goed voor de zieken, kon ook de verkenners spontaan en geestdriftig tegemoet treden. Ging iedere zondagmiddag of maandagmiddag met Tonny naar het zuiden, tevens iedere woensdag. De laatste jaren ging hij steeds met haar op vakantie naar Rimini. Hij zei met andere familieleden, maar dit bleek achteraf niet waar te zijn. (...) Lente 1975 werd mij door de politie medegedeeld dat er twee aanklachten waren tegen kapelaan S. van twee verschillende vrouwen uit de parochie die, onafhankelijk van elkaar, beweerden bij het kennismakingsbezoek als nieuwe parochianen, door kapelaan S. vergaand handtastelijk waren lastig gevallen. De politie zou de zaak seponeren, maar adviseerde overplaatsing van S. uit Venlo. Dit was – na lang aarzelen – aanleiding om met u, vicaris, contact op te nemen. De rest van de trieste affaire is u bekend.”

Nadat Sjef ontslag had genomen als kapelaan en het priesterambt neerlegde, trouwde hij met zijn huishoudster Tonny. In Heerlen vond hij werk in het onderwijs. Hij was met zijn vrouw jarenlang actief in de Samen Onderweg Kerk in die plaats. Sjef overleed in 2008. Bij zijn overlijden waren er in de kerk warme woorden voor hem: „Hij stelde zijn leven in dienst van anderen en hij bleef staan voor de waarden die hij belangrijk vond.”

    • Joep Dohmen