opinie

    • een onzer redacteuren

Niet doen!

Als ik een man was zou ik niet met Connie Palmen durven trouwen. Voor je het weet lig je, dood en wel, met je lul bij de AKO. Dit twitterde Sylvia Witteman gisteren en ik moest daar erg hartelijk om lachen. Het vat mooi samen waarom ik het boek van Connie Palmen over Hans van Mierlo niet wil lezen. Ik durf niet. Sinds haar boek IM ben ik huiverig. Ik weet dingen over Ischa Meijer die ik nooit had willen weten. En volgens mij wilde Ischa ook niet dat ik ze weet. Maar Ischa had net als Van Mierlo niks meer te zeggen. Toen ik Palmen het boek op televisie hoorde promoten kreeg ik wederom een onaangenaam gevoel. Ik dacht aan de kinderen van Hans. Het is toch hun vader. Ik vrees dat die kinderen de Story nooit kopen. Laat de doden met rust.

Wel heb ik met mijn vrouw afgesproken dat ik een bod ga doen op het sterfbed van Michael Jackson dat binnenkort geveild gaat worden. En in dat bed willen we het doen. Seks in het sterfbed van The King of Pop. Alleen al de gedachte windt ons op. Zal hij in dat bed met die jongetjes gespeeld hebben? Heerlijk idee. Misschien ligt er onder de matras nog een afgestorven stukje neus.

Wat zal dat waard zijn? Leuk dat dooie stukjes vlees zwart worden. In het geval van Jackson is dat ronduit grappig. Zal die schuldig bevonden lijfarts nog wat teennagels, plukjes wenkbrauw of afgeschraapt eelt van zijn beroemde patiënt hebben? Geestig als hij met de opbrengst daarvan zijn boete betaalt.

Las dat een onderbroek van koningin Victoria vorige week voor bijna 11.000 euro werd geveild. Een kies van John Lennon bracht het dubbele op. Het ding is geel en er zit een gaatje in. Een tandarts gaat hem tentoonstellen in zijn praktijk.

Over geld gesproken. Ik was deze week oprecht geschokt door een BN’er in een reclamespotje. Dat ben ik niet gauw.

Als ik Karin Bloemen vieze margarine zie aanprijzen, Tineke Schouten door een supermarkt zie dolen of de praatjesmakersmeneer van de NCRV met een wasmiddel over een lege camping richting een droef vinexgezin zie sjouwen, denk ik meestal: hun schoorsteentjes moeten ook roken. Op de oprit zal dankzij het spotje wel een cabriootje glimmen. Duur betaald. Dat wel. Want reclame het heeft toch iets treurigs. Dat weten de dienstdoende BN’ers zelf ook. Maar die spotjes schokken me niet. Ze horen bij het glooiende medialandschap.

Nee, ik was in de war door een spotje van Johan Derksen voor een louche energieboer. Derksen is toch een man die vooral bekend is omdat hij zich niks in zijn besnorde mond laat leggen.

Dat zag je aan de manier waarop hij die debiele Televizierring in ontvangst nam en de gevers van dat ding te kakken zette. Alleen al dat jasje sprak boekdelen. Dat zie je in zijn televisieprogramma waarin hij doorgaans aanstekelijk de vloer aanveegt met bobo’s, quasi-vedetten en andere minkukels. Dat lees je in zijn wekelijkse column in VI, waarin hij niets en niemand ontziet. Ik zag hem altijd als een vrije en vooral onafhankelijke denker.

En nu zit hij voor een paar luizige centen heel slecht reclame te maken voor een ranzig product.

De manier waarop hij in het decor van zijn eigen televisieprogramma het spotje inspreekt is ronduit gênant. Arme Johan. Je denkt hij wordt nagedaan. Dat je naar Koefnoen kijkt.

Ik hou zo van mensen die een gezonde schijt aan dronken Naatje hebben en zich door niemand voor hun roestige karretje laten spannen. Daarom vind ik het zo jammer. In de war door de dood van Harry Muskee? De weg kwijt door te grote bekendheid?

Was ik maar zijn manager dan had ik in de geest van het spotje kunnen roepen: ‘Niet doen!’

Tegen Ischa en Van Mierlo kan ik niks meer roepen.

    • een onzer redacteuren