'Ik censureer de Heer'

Huub Oosterhuis heeft er een halve eeuw aan gewerkt; de vertaling van alle 150 psalmen. Bij een omelet zegt hij: ‘Ik kan het niet laten gelukkig te worden van het geloof.’

Huub Oosterhuis (78) zit aan een tafel bij het raam te lezen in een door hemzelf geschreven boek: Deze geboren vreemdeling, uit 2004. Op een paar bladzijden zit een geel of roze plakkertje, hier en daar is een zin onderstreept. Op de stoel naast hem een verfomfaaide plastic tas met daarin boeken en papieren. Zijn 1,90 meter lange lichaam zit even beklemd tussen tafel en stoel als hij opstaat om te begroeten. Staand klapt hij zijn boek dicht en zegt: „Af en toe moet ik controleren of ik nog steeds vind wat ik vond toen ik het opschreef.” Zo te zien is hij het best met zichzelf eens.

Bijna een halve eeuw is Huub Oosterhuis nu priester, en bij alles wat hij deed, kreeg hij een nieuwe bijnaam. Pastoor in spijkerpak, toen hij in de jaren zestig zijn eigen studentenkerk oprichtte. Protestpriester, omdat hij altijd in verzet kwam tegen mensenleed; tegen de coup in Chili, tegen detentieboten, tegen moslimhaters. De heidense katholiek was hij omdat hij in 1969 ruzie kreeg met de moederkerk over het celibaat. Hij trouwde, kreeg kinderen en werd uit de jezuïetenorde ontslagen. De paus van Amsterdam heet hij vanwege zijn centra voor geloof en debat in de hoofdstad; eerst De Populier, later De Balie, de Rode Hoed en sinds kort De Nieuwe Liefde. Copywriter van de firma Christus en co, zo noemde schrijver Gerrit Komrij hem wegens de honderden gedichten en liederen die hij schreef, de meeste voor religieus gebruik.

Huub Oosterhuis draagt tegenwoordig een colbert. Geen stropdas, wel een nette grijze broek. Hij zit vaker aan dit tafeltje in het Apollo hotel, zegt hij. Het hotel ligt naast de Apollohal, aan het water in Amsterdam-Zuid. In de oorlog was het hotel een commandocentrum van de SS, de sporthal was „een pretcentrum voor hoge Duitse meneren”. En Huub Oosterhuis liep er langs, van zijn achtste tot zijn elfde, op weg van huis (in de Rivierenbuurt) naar de lagere school (in Zuid, waar hij nu ook woont). Twintig minuten lopen. „En altijd dacht ik: ‘Later, als jullie hier weg zijn, dan mag ik daarin.’” Toen hij eenmaal priester was, schreef hij er graag zijn preken. De ober kent hem bij naam. En als hij erom vraagt, zoals nu, wil de kok wel een omeletje voor hem maken, ook al staat het niet op de kaart.

Gisteren presenteerde hij zijn nieuwste boek 150 psalmen vrij, het is zijn vertaling van alle psalmen uit het bijbelboek. In 1967 kwam al eens een Proeve van een nieuwe vertaling uit, met daarin vijftig vertaalde psalmen. En in 2008, toen hij 75 werd, verscheen Halverwege met 75 stuks. Maar nu zijn het ze allemaal. Hij is er levenslang mee bezig geweest. Dan valt het te verwachten dat hij geen kort antwoord geeft op de vraag waarom het zo lang duurde.

Om het uit te leggen moet Huub Oosterhuis eerst terug naar begin jaren zestig. Hij studeerde Nederlands in Groningen. Pius XII, de reactionaire paus, was net dood en de tijd was zwanger van vernieuwing. Paus Johannes XXIII riep op tot ‘aggiornamento’, wat ‘bij de tijd brengen’ betekende. De katholieke mis, en dus ook de teksten en liederen die daarbij hoorden, zouden een stuk moderner – lees: begrijpelijker – worden. „Mijn vrienden en ik waren bijzonder opgewonden. We waren 24, 25 en het vooruitzicht van het nieuwe maakte van alles in ons los. Wij namen vast een voorschot op de tijd die komen zou.” Huub Oosterhuis begon samen met bevriende dichters en twee exegeten vast met de vertaling van de psalmen, die tot dusverre in de katholieke kerk altijd in het Latijn werden gezongen en die niemand echt begreep.

Er waren wel Nederlandse vertalingen van de psalmen, maar die waren gemaakt door en voor protestanten, gezongen op ouderwetse Geneefse melodieën. „Zij gebruikten de tale Kanaän. Nog steeds niet te begrijpen. Wij wilden onze eigen teksten, met onze interpretatie.” Ze begonnen met psalm 8. De oorspronkelijke, Hebreeuwse bijbeltekst was hun uitgangspunt en daarvan maakte ze dan een zingbare en verstaanbare Nederlandse tekst. Bevriende componisten maakten de muziek. Eerst voor orgel, later voor piano. De oudere garde katholieken, zegt Oosterhuis, had weinig fiducie in „die deuntjes”.

In 1967 waren er 50 psalmen af. Ze werden gebundeld, zeker twintig keer herdrukt, en vertaald in het Engels. Maar toen kreeg Huub Oosterhuis een conflict met de kerk. De vernieuwing die in de lucht had gehangen, zette niet door. Alles bleef zoals het was: priesters mochten niet trouwen en in de kerk moest alles weer in het Latijn.

Tjeerd en Trijntje

Huub Oosterhuis trouwde toch, met violiste Jozefien Melief. Ze kregen twee kinderen Tjeerd (1971), componist en muziekproducent, en Trijntje (1973), zangeres. En hij begon zijn eigen kerk. „In de zomer van 1971 dacht ik ineens: die psalmen, die zijn niet goed.” Hij begon opnieuw. „De taal moest anders. Veel vrijer, minder stijf, meer van nu.”

Hij begon opnieuw, met psalm 14. Die stond niet in de eerdere bundel. Eerste zin: De dwaas zegt in zijn hart ‘er is geen god’. „Daar begreep ik dus helemaal niets van.” Hij ging naar rabbijn Yehuda Aschkenasy, hoogleraar joodse schriftuitleg in Amsterdam. „Hij gaf les aan dominees en priesters over de joodse wortels van het christendom.” Van hem leerde hij wat ‘lernen’ is: teruggaan naar de bron, weg met alle interpretatie. Bij de rabbijn schreef hij een scriptie over de betekenis van psalm 14. „Dat lied is politiek. God is woedend op de bezitters, de uitbuiters. De machthebbers worden aangeklaagd.” Eenmaal vertaald door Huub Oosterhuis werd de psalm gebruikt door tegenstanders van het schrikbewind van Pinochet in Chili. „Het is een protestsong. Altijd al geweest.”

Na de jaren zeventig, zegt Huub Oosterhuis, is hij niet systematisch doorgegaan met vertalen, hij was te druk met het mobiliseren van de tegenbeweging in zijn ‘leerhuizen’ en het houden van kerkdiensten. „Ik zocht mijn eigen weg binnen de traditie.” De Vaticaanse vernieuwing bracht de kerk in crisis. Bisschop Gijssen wilde het in Nederland nog iets conservatiever. Homo’s mochten niet trouwen, condooms waren verboden, scheiden was slecht. Zelf scheidde Huub Oosterhuis in 1986. Inmiddels is hij hertrouwd met Colet van der Ven, journaliste.

Pas halverwege de jaren negentig heeft hij de psalmvertaling weer opgepakt en zichzelf de opdracht gegeven ze nu allemaal te vertalen. Helemaal opnieuw, ook die eerste 50. „Het ging met horten en stoten.” Pas de afgelopen paar jaar is het hem gelukt ze af te maken. „Elke avond na tien uur kon ik er pas aan beginnen.” Overdag was hij te druk met zijn nieuwste leerhuis, De Nieuwe Liefde in Amsterdam-West. „Hele dagen vergaderen. Het moet. Ik wil per se een solide plek achterlaten voor ons gedachtengoed.” Daar heeft hij gisteren zijn psalmenbundel gepresenteerd.

En dan? Wat gaat hij doen nu de psalmen eindelijk klaar zijn? Huub Oosterhuis noemt de onderwerpen waarover hij nog boeken wil schrijven (over Jezus, om er één te noemen). Ik hoopte dat hij zou zeggen dat hij nu alle tijd zou hebben om grootvader te zijn. Dat ook, haast hij zich te zeggen. Zijn dochter heeft twee kinderen, zijn zoon één. „Ik zie ze vaak. En ik vertel ze verhalen. Nee, niet over god. Over god moet je niet praten zolang ze nog in Sinterklaas geloven. Ze zaten op school in De Rijp, en daar vertelde de juf toch rare dingen. Dat god je overslaat als je niet in hem gelooft.”

Romeinse soldaat

Huub Oosterhuis schuift zijn lege bord naar voren en zegt dat hij maar één zin nodig heeft om uit te leggen wat geloof inhoudt. „De zin die de rabbi sprak tegen de Romeinse soldaat die hem vroeg zijn geloof uit te leggen in de tijd dat hij met volle bepakking op één voet kon staan. De zin is: Heb lief je naaste die een mens is zoals jij.” Hij controleert of ik het wel goed opschrijf. „Dus niet: heb uw naaste lief als uzelf. Nee, nee. Je moet de mensen liefhebben.”

Met die zin in je achterhoofd moet je de bijbel en dus ook de psalmen begrijpen. „Lees de bijbel als een opdracht aan jezelf. Overal waar god of heer staat moet je ‘ik’ lezen. Dus ik moet redden hen die weerloos zijn. Ik moet er zijn voor anderen. Die interpretatie is in de loop der tijd zoek geraakt.” Het woord ‘Heer’ komt trouwens in zijn vertaling niet voor. ‘Het Hebreeuwse woord voor god, JHWH , betekent letterlijk ‘ik zál’. Ik vertaal het geladener met: ‘ik zal er zijn’.” God wordt door hem getutoyeerd. „Of ik gebruik Gij. Dat vind ik ook mooi.”

De officiële katholieke kerk zal vast niet blij zijn met zijn vertaling. Al eerder besloot een censor dat de liederen van Oosterhuis niet meer tot de katholieke canon behoren. Huub Oosterhuis gelooft niet katholiek genoeg. Een van de geschrapte liedjes werd nog op de begrafenis van prins Claus gezongen.

Huub Oosterhuis haalt zijn schouders op. Zijn blik houdt het midden tussen irritatie en berusting. „Ik ben geestelijk weggeraakt uit wat nu de katholieke kerk is”. Maar de traditie, het geloof zelf wil hij niet kwijt. „Het bijbelse verhaal gaat over geloof, hoop en liefde. Het is het mooiste verhaal dat ik ken, en ik hoop dat het waar is. Mag ik?” Hij kan het niet laten, zegt hij, er gelukkig van te worden. „Het staat voor de warmte van mijn jeugd. Ja, het was oorlog, en ja, na mij gingen er drie kinderen dood, maar toch voelde ik me veilig en gelukkig.” Zijn moeder bleek resusnegatief. Na vier gezonde kinderen, overleden er twee jongetjes en later nog een meisje kort na de geboorte.

Schrijver en dichter Atte Jongstra schreef in 2010 dat Huub Oosterhuis geen dichter was. Zijn liederen en verzen vond hij „soft” en de religieuze verzen niet dramatisch genoeg. „Die man weet er niks van”, is het enige wat Huub Oosterhuis daarover zegt. Maar die psalmen, vraag ik, is hij daarvan dan de vertaler of de dichter? „Ik verander zoveel in de tekst dat je niet meer kunt zeggen dat ik het alleen vertaal. Als god tot zijn koning zegt: ‘Ik zal jouw vijanden verdelgen tot in het vierde geslacht’, dan vertaal ik dat niet zo. Ik grijp in. Ik censureer.”

Zo heeft hij zich nog een dichterlijke vrijheid gepermitteerd. In psalm 23, een ‘troostpsalm’ dat vaak gezon-gen wordt voor zieken en gestorvenen. „Er moet staan: ‘Moet ik de afgrond in, de doodsvallei, ik zal niet bang zijn.’” Hij las het voor aan een doodzieke vriend. „Die zei: maar ik ben wél bang.” Dus nu luidt de vertaling: „Ik zal bang zijn – ben jij naast mij / ik zal niet doodgaan van angst.”

De lunch is ten einde, we hebben al afscheid genomen. Huub Oosterhuis staat aan de overkant van een drukke verkeersweg. Plotseling baant hij zich een weg tussen de hardrijdende auto’s door en roept me nog wat na. „Die vriend”, zegt hij. „Die vriend die wel bang was? Dat was prins Claus.”

    • Rinskje Koelewijn