Hardloop- toerisme

Pieter Steinz behoort tot de lopers die marathonsteden verzamelen. In Dresden hoopt hij stad nummer dertien aan zijn collectie toe te voegen.

Dit kan ook gebeuren.

Je traint hard, twaalf weken lang, drie keer per week, met ten minste vier keer een loop van meer dan 32 kilometer. Je eet verantwoord, stapelt koolhydraten in de laatste week en drinkt niet meer dan één glas alcohol per dag. Je slaapt acht uur per nacht, neemt voorafgaande aan de wedstrijd een paar dagen vakantie om de stress te verminderen, drinkt gedurende een halve week een paar liter water per dag. En dan, op de dag van de race, word je wakker met een verzengende pijn in je rug.

Misschien was het het hotelbed, misschien de toren die je beklom voor een uitzicht over de oude stad, misschien het slenteren langs de kraampjes op de traditionele marathonmarkt een dag eerder. Maar je voelt dat het mis is. Dit is geen voorbijgaand pijntje, geen kwestie van verkeerd liggen die verdwijnt met de endorfine die je hersens zullen aanmaken tijdens het lopen. Dit is spit.

Het gebeurde mij op de ochtend van de marathon van Dresden, een week of wat geleden; de herfstloop die ik had uitgekozen om te variëren op de jaarlijkse marathon van Amsterdam – mooi en snel maar overbekend. Dresden moest een schitterende stad zijn, en met een parcours langs de Elbe, door het Barockviertel, over het plein tussen de Semperoper en het Schloss, was spektakel voor de loper gegarandeerd.

De Morgenpost Dresden Marathon is een aanwinst voor iedere hardloper die er een sport van maakt om ‘steden te sparen’. Want New York is leuk, Rotterdam is aardig en Berlijn is een must, maar er zijn zoveel andere, zij het minder aanzienlijke marathons die tegen een geweldig decor worden gelopen. Rome bijvoorbeeld, waar je in 42 kilometer zo’n beetje langs alle grote bezienswaardigheden komt; Athene, waar je het parcours volgt van de marathon zoals die bij de eerste moderne Olympische Spelen in 1896 werd gelopen; Kopenhagen, waar het publiek het enthousiastst is; Hamburg, dat verrast door de afwisseling tussen lommerrijke buitenwijken en indrukwekkende waterpartijen. Alleen al in Duitsland zijn er meer dan vijftig steden die een marathon organiseren.

Bombardement

Dresden heeft een goede naam, niet alleen als centrum van de Morgenpost Marathon, die van de binnenstad via de Elbe naar de Grosser Garten en terug loopt; maar ook als finishplaats van de Oberelbe-Marathon, die veertig kilometer stroomopwaarts in de zogeheten Sächsische Schweiz begint. En de stad mag dan stil zijn – ’s avonds is het in de afgelopen twintig jaar gerestaureerde centrum uitgestorven – ze is rijk aan spectaculaire barokmonumenten, vooral uit de achttiende en negentiende eeuw. Voeg daarbij de tragische geschiedenis – van het allesvernietigende geallieerde bombardement in februari 1945 en de verwaarlozing in de DDR-tijd tot de wederopbloei in het verenigde Duitsland – en je bent als loper-toerist verzekerd van een onvergetelijke ervaring.

Maar dan moet je natuurlijk niet op het laatste moment geblesseerd raken. Kromgebogen aan het ontbijt in mijn hotel, een van de neogotische kasteeltjes op de rechter Elbe-oever, bedenkik wat ik zal doen. De hele marathon is uitgesloten; met een beetje pech vererger je je klachten zó dat je na 35 kilometer stijf als een plank afgevoerd moet worden naar het ziekenhuis. Helemaal niet lopen is doodzonde; niet alleen van het inschrijfgeld en de al lang van tevoren geboekte extra hotelnacht, maar vooral van alle voorbereidingen en de lange reis naar Saksen.

En dus besluit ik om op paracetamol te starten en te kijken of ik de halve marathon kan halen. Anders dan in Rotterdam (dat geen halve marathon kent) of in Amsterdam (waar de hele en de halve op verschillende tijden van start gaan), blijkt Dresden die mogelijkheid te bieden. Alle tienduizend halve- en helemarathonlopers starten min of meer op dezelfde tijd, maar na twintig kilometer kun je via een Abzweig naar de finish. De grote jongens en meisjes lopen daarna door langs het fietspad aan de Elbe en doen daarna nog een keer hetzelfde rondje.

Ik sla dus af; mijn tempo ligt op vijfenhalve minuut per kilometer, bijna een minuut slomer dan ik normaal loop; maar ik kom over de finish zonder dat mijn onderrug in het slot is gesprongen. De race was bovendien het risico waard. Het weer was prachtig – zon, niet onoverkomelijk veel wind, een graad of tien – en het ‘Florence aan de Elbe’ lag er schitterend bij; niet alleen de wederopgebouwde Altstadt, met de Hofkirche, de Frauenkirche en de Zwinger, maar ook de moderne buitenring, waar zich bijvoorbeeld de ‘Gläserne Manufaktur’, het glaspaleis met de showroom van Volkswagen, bevindt.

Aan de finish laat ik mij de Halbmarathonmedaille omhangen; een dag later zal ik met rugverkramping en spierpijn voor de 21 kilometer moeten betalen, maar nu heb ik een voldaan gevoel. Het parcours is gelopen, de reis is niet voor niets geweest. Ik heb Dresden vanaf de autobruggen over de Elbe gezien, en de stad aan mijn rijtje met marathonsteden toegevoegd. Dat ik het tweede rondje niet gelopen heb, is bijzaak. Over een paar jaar kom ik hier toch terug; maar dan voor de Oberelbe-Marathon, die van start gaat in de minstens zo schilderachtige vestingstad Königstein.