Een land dat op zoek blijft naar zichzelf

Aanslagen, terreur, overstromingen en achteloos landbeheer op het platteland. Pakistan lijdt. De islam is niet het bindmiddel gebleken voor de etnisch sterk verdeelde bevolking waarop de stichters hadden gerekend. Bericht uit Sindh.

Imran Khan, Pakistani cricketer turned politician, gestures after arriving to lead the Pakistan Tehreek-e- Insaf (PTI) rally in Lahore October 30, 2011. Khan, chairman of the PTI, on Sunday said the biggest problem facing Pakistan is corruption which the PTI will strive to eradicate and install honest officers in key positions, local media reported. REUTERS/Mohsin Raza (PAKISTAN - Tags: POLITICS CIVIL UNREST) REUTERS

Geen angst’ staat achterop zwarte T-shirts van bewapende veiligheidsagenten in Lahore en andere steden in Pakistan. Maar ruim 64 jaar na de creatie van het ‘land van de zuiverheid’ slagen de agenten er niet in de burgers een gevoel van veiligheid te geven. Want de terreur houdt aan.

De afgelopen drie jaar hebben meer dan 30.000 burgers het leven verloren bij aanslagen in Peshawar, Islamabad, Lahore en andere plaatsen. De aanslagen werden meestal uitgevoerd door Tehrik-i-Taliban – de ‘Pakistaanse Talibaan’. Dat was hun wraak voor de Pakistaanse steun aan de Verenigde Staten in de oorlog tegen het terrorisme die sinds 10 jaar wordt gevoerd. In het westelijke grensgebied met Afghanistan zijn in die strijd meer dan 3.000 Pakistaanse soldaten gesneuveld.

Los daarvan groeien wetteloosheid en onverdraagzaamheid in Pakistan. Eind mei werd onderzoeksjournalist Syed Saleem Shahzad dood gevonden in een afwateringskanaal – hij was vermoord, volgens velen het werk van de beruchte militaire geheime dienst ISI. Begin maart werd de katholieke minister van Minderheden, Shahbaz Bhatti, doodgeschoten. Twee maanden eerder onderging de gouverneur van de provincie Punjab, Salmaan Taseer, eenzelfde lot. Hij kwam op voor een ongeletterde christelijke vrouw die vast zit op beschuldiging van blasfemie. De moord werd uitgelegd als een aanslag op het liberale, tolerante Pakistan – met een regering die werkeloos toekijkt.

En dan is er nog de miljoenenstad Karachi in het diepe zuiden aan de Arabische Zee. Gewapende bendes beheersen het straatbeeld. In meerdere wijken leveren Mohajirs (immigranten die bij de deling van het Britse subcontinent uit India kwamen), Sindhis en Pathanen een strijd op leven en dood. Het gaat om het verkrijgen van politieke dominantie, om geloofshaat (sunnieten versus shi’ieten), om het inpikken van grond én om controle over misdaadeconomie. Sinds augustus zijn hierbij meer dan 400 burgers omgekomen.

Zo blijft Pakistan een land op zoek naar zichzelf. De islam is niet het bindmiddel gebleken voor de etnisch sterk verdeelde bevolking, waarop de stichters van Pakistan hadden gehoopt. Moslims van verschillende richtingen staan elkaar naar het leven. En economisch en sociaal vertoont het land betrekkelijk weinig vooruitgang, zeker in vergelijking met buurland en aartsrivaal India.

‘We zijn onafhankelijk maar nog steeds in verwarring’, staat in witte letters geschilderd op een muur in Lahore, de culturele hoofdstad van Pakistan. Maar is het verwarring? Of is ‘gelatenheid’ misschien een treffender omschrijving voor de gemoedstoestand van de natie?

Zonder vroedvrouw

Ghulam Khatoon (25) woont in Jan Mohammed Rind, een afgelegen dorpje van landloze arbeiders en keuterboertjes in het zuiden van de provincie Sindh. Drie weken geleden werd Khatoon moeder van haar derde kind, een zoon. Ze plukte gras op het veld toen de geboorte zich aankondigde. Ze had geen tijd meer om naar huis te gaan en in de stromende regen beviel ze, in haar eentje.

Dat was uitzonderlijk, maar ook niet zo heel bijzonder, vertellen haar dorpsgenoten. De meeste vrouwen bevallen zonder assistentie van een vroedvrouw, slechts een enkeling haalt het dichtstbijzijnde kliniekje, zo’n 25 kilometer verderop. Vaak gaat het mis. Maar dat is al sinds mensenheugenis zo, want de gezondheidszorg op het Pakistaanse platteland is niet verbeterd.

Dat heeft te maken met het feodale bestuur dat het Pakistaanse platteland nog altijd in de greep houdt. Machtige landheren maken de dienst uit. Zij doen sinds mensenheugenis weinig om het leven van de van hen afhankelijke boeren te verbeteren. De afhankelijkheid van de boertjes versterkt de gelatenheid.

Met eenzelfde gelatenheid laten de dorpsbewoners voor het tweede achtereenvolgende jaar een zondvloed over zich heenkomen. De velden in het zuiden van de provincie Sindh, vanaf Hyderabad tot voorbij Badin, staan sinds augustus onder water. Vorig jaar zomer kwam de vloedgolf vanuit de uitlopers van de Himalaya en veranderde het stroomgebied van de Indus van noord tot zuid in een grote watermassa. Badin en omgeving bleven gespaard.

Ditmaal kwam het water uit de hemel en moesten miljoenen Pakistani ook in dit gebied een goed heenkomen zoeken. Overal langs de weg zitten de vluchtelingen met hun schamele bezittingen, in tenten of onder stukken plastic die wapperen in de wind. Katoen, suikerriet en rijst zijn vernield. Veel huizen, schamele onderkomens van leem en hout, zijn weggespoeld.

„De regering heeft financiële hulp beloofd. We moeten afwachten of we die krijgen”, zegt een boer die lapje grond pacht in de buurt van Badin. Elk voorjaar sluit hij een lening af bij een geldschieter om zaaigoed en kunstmest te kopen. Vijftig procent van de oogst moet hij afdragen aan zijn landheer. Maar dit seizoen is er geen oogst. Spaargeld heeft hij niet. Zonder overheidshulp kan hij niets terugbetalen en loopt zijn schuld alleen maar op.

Zijn buurman zegt dat hij geheel afhankelijk is van de landheer wiens akkers hij bewerkt. De sieraden van zijn vrouw en dochters heeft hij verkocht om voedsel te kopen. „We zullen een baantje moeten zoeken in de stad”, zegt hij.

Terreur, gevoed door de oorlog in Afghanistan, en politieke instabiliteit bedreigen Pakistan. Maar de grootste bedreiging voor de cohesie in het land is ecologische rampspoed, klimaatverandering en groeiende bevolkingsdruk. Dat schrijft de Britse analist Anatol Lieven in zijn dit jaar verschenen boek Pakistan – A Hard Country.

De watersnood in Sindh, waar normaal waterschaarste heerst, lijkt het jongste bewijs voor die stelling. Achteloos beheer van land en natuurlijke hulpbronnen verergeren de problemen. „Politici spreken over een natuurramp. Maar ze is vooral mensenwerk”, zegt een medewerker van Lamp, een lokale organisatie die noodhulp verstrekt en zich inzet voor gezondheidszorg, scholing, huisvesting en banen voor de armen in Sindh.

Corruptie

De provincie Sindh is het bastion van de PPP, de Pakistaanse Volkspartij die na de moord op Benazir Bhutto eind 2007 werd overgenomen door haar echtgenoot, de huidige president Asif Ali Zardari. Bij het Indus Hotel in de stad Hyderabad staat een Toyota Pajero geparkeerd. Aanhangers van de PPP hebben de afgelopen weken het zuiden doorkruist om partijvlaggen op vluchtelingententen te plaatsen. Maar de partij beperkt zich tot gemakkelijk toegankelijke gebieden. In afgelegen dorpjes zie je nergens tenten en vlaggen van de partij.

Velen associëren de hulpverlening van de overheid met corruptie. Ook buitenlandse donoren zijn terughoudend om met de Pakistaanse regering zaken te doen. De ervaring wijst uit dat het weinig uitmaakt wie er aan het bewind is: zowel de PPP als de voornaamste oppositiepartijen, de verschillende vleugels van de Pakistan Muslim League (PML), zit boordevol corrupte lieden.

Ook econoom Safiya Aftab heeft geen hoge pet op van de huidige regering van president Zardari en premier Yousuf Gilani. „Deze regering is de meest waardeloze in de geschiedenis”, zegt de zelfstandig consultant in haar huis in de hoofdstad Islamabad. Behalve op de wetteloosheid en criminaliteit wijst ze ook op het falen van de regering om economische sturing te geven in barre tijden. Gevestigde belangen van politici, militairen en feodale heersers verlammen het beleid en houden cruciale hervormingen tegen, zegt ze. „Rationele economische besluiten worden niet genomen.”

De lage middenklasse en de armen hebben hieronder het meest te lijden. Volgens het laatste officiële cijfer dat stamt uit 2006, leeft 17 tot 18 procent van de bevolking onder de armoedegrens. In werkelijkheid is dat zeker 40 tot 50 procent, schat econoom Aftab. Maar niemand weet het. En niemand kent de exacte omvang van de informele economie waarmee velen overleven. Wat wel bekend is: de miljoenen Pakistaanse gastarbeiders in het Midden-Oosten dragen voor een belangrijk deel bij aan het op de been houden van de economie met het geld dat zij naar hun familie sturen.

Daar komt nog bij dat de afgelopen jaren de kosten van levensonderhoud sterk zijn gestegen. In het licht daarvan zijn herziening van het belastingstelsel, hervorming van de energiesector en sanering van verliesgevende overheidsbedrijven zijn dringend nodig, zegt Aftab.

Maar dergelijke ingrepen zijn niet populair, en in 2013 zijn er nieuwe verkiezingen. Wellicht wordt president Zardari de eerste democratisch gekozen regeringsleider in Pakistan die zijn ambtstermijn kan volmaken. Op zichzelf is dat al een hele prestatie. Om dat vooruitzicht niet te bederven, heeft Pakistan de samenwerking met het IMF kort geleden verbroken – zonder dat dat tot ophef heeft geleid. De prijs hiervan is hoog. Aftab: „Zonder IMF is er helemaal geen sprake meer van fiscale discipline om het begrotingstekort in te tomen.”

Cricketvedette

Is er dan niemand die dit weerbarstige land voor verder afglijden kan behoeden? Langs de eeuwenoude Grand Trunk Road van Lahore naar de oude handelsstad Rawalpindi bij Islamabad staan groepjes opgewonden mensen. Ze zwaaien met vlaggen van Tehreek-e-Insaf – ‘Beweging voor Rechtvaardigheid’. Ze scanderen de naam van hun held, de voormalig cricket-ster Imran Khan.

Khan is de eigenzinnige aanvoerder die het Pakistaanse cricketteam voor het eerst en het laatst in 1992 de wereldtitel hielp veroveren. Hij is inmiddels 58 jaar en heeft zijn verleden als playboy van zich afgeschud. Khan maakte naam met de bouw van een groot ziekenhuis voor armen in Lahore, opgedragen aan zijn overleden moeder. Zeven jaar geleden scheidde hij van zijn Britse vrouw Jemima Goldsmith. Zij was na negen jaar huwelijk en steun voor zijn politieke ambities niet langer opgewassen tegen het haar vijandig gezinde klimaat in Pakistan.

Nu wil Imran Khan in zijn eentje een politieke en sociale revolutie brengen in Pakistan. De jeugd zal hem daarbij helpen, verwacht hij. „Toen ik mijn partij op 25 april 1996 lanceerde, had ik alle angst om te sterven van mij afgeworpen. Dat betekent dat ik precies wist waarom ik de politiek in ging: om het op te nemen tegen de politieke mafia in Pakistan”, schrijft hij in zijn onlangs verschenen biografie Pakistan – A Personal History.

Deze zondagmiddag, als de zon net is ondergegaan, spreekt hij duizenden aanhangers toe in een park in Gujranwala, zestig kilometer westelijk van Lahore. Hij ageert tegen de corrupte klasse van politici die het land al decennia lang plunderen, of het nu de „criminelen’’ zijn van de regerende PPP of die van de PML (Pakistaanse Moslim Liga) van oud-premier Nawaz Sharif. Het felst is Khan als hij spreekt over de Pakistaanse onderdanigheid aan de Verenigde Staten.

Hij raakt daarmee een gevoelige snaar. De VS hebben Pakistan in de oorlog in Afghanistan gezogen, met desastreuze gevolgen voor de samenleving. Terreur heeft zich in Pakistan zelf verspreid en in het grensgebied met Afghanistan worden talloze onschuldige burgers gedood bij Amerikaanse droneaanvallen, zegt hij. „Pakistan heeft geleden en lijdt nog steeds. Zardari, waar verstop je je? We hebben zulke Amerikaanse vazallen niet nodig. Als we onze natie zelf niet respecteren, zal de wereld ons niet respecteren.”

Volgens Khan verliezen de VS de oorlog in Afghanistan. „Nu proberen ze de schuld af te schuiven op Pakistan”, zegt hij tegen zijn aanhangers in Gujranwala. „De waarheid is dat de VS niet tegen de Talibaan vechten maar tegen het volk van Afghanistan”. Applaus klinkt op.

De vraag is: zal de voormalige cricketvedette het ooit voor het zeggen krijgen? Critici zeggen dat Khan de problemen in Pakistan mooi op een rijtje zet, maar geen oplossingen aandraagt. Ze zeggen ook dat Tehreek-e-Insaf vooral zijn partij is en dat hij het in zijn eentje nooit kan winnen van de gevestigde elite – de PPP en de PML voorop – waartegen hij zo tekeer gaat.

Mussadiq Khan, al dertig jaar woonachtig in het Verenigd Koninkrijk, is overgekomen om bij te dragen aan de organisatie van Tehrik-e-Insaf. Zijn ervaring als kaderlid van Labour moet hem daarbij helpen. „Imran Khan heeft dezelfde bezielende uitstraling als destijds Zulfikar Ali Bhutto”, zegt hij verwijzend naar Benazirs vader, de oprichter van de PPP. „Alleen moeten we de beweging nu van onderaf opbouwen. De jonge generatie zal Pakistan redden”, zegt hij.

Onder jongeren, die tot de stedelijke middenklasse behoren, zijn er relatief veel fans van Imran Khan en zijn partij. Dat geldt ook voor Koko (30), telg uit een oude familie uit Rawalpindi, wier grootouders nog banden hadden met Jinnah, de ‘vader des vaderlands’ van het onafhankelijke Pakistan. Ze werd gevraagd woordvoerder te worden van zijn partij. Toch weigerde ze, vertelt ze, „omdat ze geen half werk wilde leveren”. Ze is te druk met haar werk als modeontwerpster. Ze heeft een succesvolle lijn van ingetogen mannenkleding, gebaseerd op het Moghul-tijdperk en de koloniale periode. Verder publiceert ze gedichten, en ze schrijft artikelen, fotografeert, werkt mee aan de productie van muziekvideo’s en steunt jonge kunstenaars. En ze heeft nog veel meer plannen.

Koko behoort tot de jonge generatie van Pakistan die is opgegroeid in een tijd van oorlog in de regio, politieke instabiliteit en terreurdreiging. Ze behoort ook tot een klasse van jongeren van bevoorrechte komaf, die de mogelijkheid heeft Pakistan te verlaten maar die er bewust voor heeft gekozen om te blijven. Drie jaar geleden, toen het Mariott Hotel werd opgeblazen in Islamabad en zijzelf ternauwernood aan de dood ontsnapte bij een bomaanslag op een markt in Islamabad, vroeg haar vader haar om weg te gaan. Sommige familieleden emigreerden. Ze zeiden hun kinderen niet langer met een gerust hart naar school te kunnen sturen. Maar Koko weigerde. „Ik dacht: ‘Ik leef in het verkeerde land. Maar dit is wel mijn land. Als ik wegga, kom ik nooit meer terug en dan heeft het negatieve gewonnen.’ En dat wil ik niet. Pakistan is mijn land. Er is nog zoveel hoop.”

Dit is de laatste bijdrage van Wim Brummelman als correspondent vanuit Pakistan en India. Hij komt de buitenlandredactie in Rotterdam versterken.