Dit artikel gaat u niet lezen

Dit is het voorwoord van een boek dat u niet gaat lezen. Want u kent de inhoud allang, schrijft Hugo Brandt Corstius.

This image provided by NASA shows giant sun spot activity Thursday, Nov. 3, 2011, from a region on the sun that scientists are calling a "benevolent monster." After years of quiet, the sun is coming alive with solar storms in a big way. (AP Photo/NASA) AP

Dit boek is niet voor u. Indien u het toch leest, zult u begrijpen waarom ik het absoluut niet voor u schreef. U weet namelijk alles al wat ik hier ga opschrijven. Misschien zijn het zelfs dingen waar u niet in gelooft, en ook niet in wilt geloven. Gooi het dan rustig weg. Ik schreef dit boek echt niet voor u. Ik ken de juiste lezer nog niet persoonlijk. De kans dat ik hem, of haar of een derde geslacht, ooit zal leren kennen is trouwens uiterst klein. Maar ik voel toch de plicht om dit boek te schrijven.

Wij, mensen zoals wij ons noemen om onze diersoort te onderscheiden van de beschavingen van apen of mieren, wij mensen leven op de aardbol. Er zijn wel eens een paar lui op de maan geweest, maar die zijn weer gauw teruggekomen. Er bleek op de maan geen enkel wezen rond te lopen dat ook maar enigszins op ons leek. Plannen om naar Venus, Mars, Saturnus of een andere buurplaneet te reizen zijn nog steeds niet uitgevoerd en dat zal niet gauw en niet vaak gebeuren. Wij weten namelijk vrij zeker dat er op die andere bolletjes die om onze zon cirkelen net zo weinig wezens lopen als we op de maan konden zien, namelijk: niemand.

Er zijn nog een paar miljard andere planeten die om hete zonnen draaien. Er is wel eens voorzichtig geprobeerd om via radio of televisie uit te vinden of daar iemand zit met wie wij contact kunnen maken, maar dat idee is al een tijd opgegeven. Radio en televisie kunnen zich wel in het luchtledig voortbewegen, maar de kans dat ergens op een planeet bij een verre ster een persoon zit die onze boodschap kan en wil ontcijferen is zo vreselijk klein dat wij het, zover ik weet, niet meer doen.

Natuurlijk kan zo’n hele verre buurman geen enkele taal begrijpen die hier op onze aarde gesproken of geschreven wordt. Maar dat geldt ook voor een pasgeboren baby. Spreek zo’n pasgeboren mens een tijdje toe en hij antwoordt je. Waarom zou de bewoner van een verre planeet dat niet kunnen?

De gemakkelijkste reactie op mijn idee is: Wanneer er iemand op een verre planeet zit, dan moet die persoon maar zelf de moeite nemen om in zijn gekke taaltje een brief naar ons te sturen, die wij ontcijferen en beantwoorden. Wij hebben het spreken over grote afstand, zelfs zonder lucht, pas sinds kort uitgevonden. Wij weten ook pas sinds een paar eeuwtjes dat we op een bol leven die om zijn eigen as draait en ook nog om de zon draait. Wij weten nog helemaal niet in hoeverre die zon een bepaald doel heeft. Wij weten kortom niets van de wereld op een miljard kilometer afstand. Daarheen gaan is niet eenvoudig. Berichten daarheen uitstralen is wel eenvoudig, maar lijkt zinloos.

Mij lijkt dat helemaal niet zinloos. U heeft misschien wel eens gelezen of gehoord dat God de mens uitvond en hem, toen dat schepsel ondeugend bleek, naar een stoffige aarde stuurde, met slechts een vage herinnering aan het leven in de hemel. De bijbel vertelt zo’n verhaal. Ik geloof daar niks van, maar ik vind het grappig dat iemand die geschiedenis verzon en opschreef. Ik verzin niets, maar ik schrijf wel wat op in de hoop dat er ooit een lezer van dit boek zal merken dat er op dat planeetje bij dat zonnetje iemand de moeite heeft genomen om hem over ons aards bestaan te vertellen.

In 1953 ging ik sterrenkunde studeren. In Amsterdam, waar toen nog geen sterrenkijker was. Het was een vreselijk makkelijke studie. Dat is intussen flink veranderd. Wij weten inmiddels veel over al die zonnen, en ook nog wat over de planeten en manen, en misschien ook nog submanen die om de manen draaien (ik lees geen astronomische artikelen meer).

Het aantal zonnen dat wij ‘zien’ vermeerdert elk jaar met een miljard. Is één miljard een één met negen of met twaalf nullen? Maakt niets uit. Die aantalvergroting komt niet door hun geboorte (die groei gaat misschien nog veel harder) maar door onze ijverige sterrenkundigen. Vroeger dacht je als sterrenkundige dat je als mens het geluk had te kunnen leven op een planeet met goed klimaat, voedsel en drank. Maar naarmate het aantal hemellichamen groeit zou je toch moeten voelen dat er vast nog wel ergens anders nog zo’n mooi planeetje is, waarop ‘mensen’ leven. Natuurlijk zou het voor ons mooi zijn als die mensen contact met ons zochten. Misschien doe ze dat ook, maar het is ze nog niet gelukt. Of zijn wij te stom om hun mededelingen op te kunnen vangen en te begrijpen? De dichtstbije ster, onze zon, lijkt veel te heet te zijn om bewoners te kunnen hebben, maar ik weet niet waarom er ook in grote hitte geen bewoners zouden kunnen leven.

De rest van dit boek hoeft u niet te lezen. U weet alles wat ik er in vertel. Maar de inwoners van een of andere bewoonde ster of planeet, verder weg dan wij met onze huidige instrumenten kunnen bekijken, díe moeten mij maar antwoord geven door hun verhaal te vertellen. Dát boek zult u dan met plezier kunnen lezen.

Hugo Brandt Corstius is emeritus hoogleraar taalwetenschap en schrijver.

    • Hugo Brandt Corstius