Data en fraude

In het interview met de Amsterdamse hoogleraar psychologie Carsten de Dreu (‘Nieuwsgierigheid als redding’, Wetenschapsbijlage 5 & 6 november) wordt de indruk gewekt dat er slechts één remedie is tegen de onwenselijke situatie dat onderzoekers uitsluitend zelf hun gegevens bewaren: openbare archivering. Los van het feit dat het onzeker is of openbaarheid van volledig geschoonde gegevens fraude tegengaat, zijn er heel wat tussenliggende mogelijkheden die wellicht effectiever zijn.

Om te beginnen kan het instituut van de onderzoeker de gegevens bewaren, onder hoede van een data-manager die ook bijhoudt hoe de gegevens zijn geanalyseerd – daardoor blijven ze achteraf toegankelijk wanneer nieuwe vragen opkomen.

Van een instituut in de Verenigde Staten hoorde ik dat de data-manager naast het bewaren van gegevens ook de taak heeft om alles na te rekenen vooraleer een artikel ter publicatie wordt aangeboden – om na te gaan of er hetzelfde uitkomt: een heel goede remedie tegen het maken van fouten.

Een andere mogelijkheid is het ter beschikking stellen van de volledige gegevens aan een onafhankelijke partij die ze weliswaar niet openbaar maakt, maar de geanonimiseerde gegevens door één of meer derde partijen laat analyseren, en in openbare zittingen bijkomende vragen kan beantwoorden – ook vragen uit het publiek. Deze mogelijkheid wordt geprobeerd door een fabrikant van medische hulpmiddelen, in een poging om het wantrouwen tegen analyse van onderzoek door de fabrikant zelf weg te nemen. Tot slot kan men communicatie tussen wetenschappers, en de mogelijkheid om achteraf vragen te stellen, vergemakkelijken door openbaar te maken welk soort gegevens op welke plaats zijn opgeslagen.

Jan P. Vandenbroucke

Hoogleraar klinische epidemiologie, Leids Universitair Medisch Centrum, en academiehoogleraar, Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen