Brieven over Swaab en het brein

Dualisme

In het interview ‘Een goede tegenwerping heb ik nog niet gehoord’ (Wetenschapsbijlage 5 & 6 november) spreidt Dick Swaab zijn materialistische visie weer ten toon. Als zijn dochter tegen hem zegt: ‘pappa, er is toch meer…,’ dan krijgt hij geen bevredigend antwoord op zijn tegenvraag ‘wat is er dan nog meer’. Mijn antwoord is het volgende. Materialisten gaan ervan uit dat onze zintuigen ons niet bedriegen, en dat er materie is. Idealisten gaan ervan uit dat introspectief onderzoek ons niet bedriegt, en dat we een geest hebben die in staat is op basis van emoties en creatieve ideeën voorstellingen te maken van onze realiteit. Het monisme erkent alleen de materiële dan wel de ideële wereld. Het dualisme erkent beide, maar gaat uit van dichotomie – ze beïnvloeden elkaar niet essentieel. Van dualiteit is sprake indien men ervan uitgaat dat beide elementen aspecten zijn van eenzelfde realiteit, als twee zijden van eenzelfde medaille. Beide aspecten kunnen separaat worden geanalyseerd, hetgeen leidt dit tot het formuleren van partiële theorieën. Zo zegt Swaab: ik onderzoek alleen de consequenties van hersenstructuurverandering op het gedrag van mensen. Met andere woorden: de resultaten gelden slechts onder de clausule: overige omstandigheden blijven gelijk.

Om een realistische analyse van menselijk gedrag te maken die recht doet aan alle relevante aspecten, moeten we materiële en geestelijke processen zien als elkaars bedding. We krijgen dan een hele reeks partiële theorieën van materiële en geestelijke aard, die geïntegreerd horen te worden om een realistische theorie te krijgen. Het onderzoek levert dan een reeks van beperkingen op van materiële aard, zoals de hersenstructuur, en van geestelijke aard, zoals iemands persoonlijkheid vanaf den beginne en de sociale structuur.

Swaab doet fantastisch werk, maar zijn we ons brein? Dat is ontologisch gezien echt onzin. Ik heb een brein, maar ik ben geen brein!

Dr. Piet Keizer

Universitair hoofddocent methodologie, Utrecht University School of Economics

Emergente eigenschap

Indien we elk dualisme verwerpen en accepteren dat wij ons brein zijn, dan is een cruciale vraag vervolgens hoe het brein bewustzijn mogelijk maakt. Hoe kan materie (neuronen) bewustzijn voortbrengen? Swaab zegt dat “hersencellen de geest produceren zoals nieren urine”. Maar deze vergelijking gaat mank omdat urine ook materie is. Elders in het artikel zegt Swaab dat “het bewustzijn emergent” is. Nu wordt over ‘emergente’ eigenschappen gesproken als het eigenschappen betreft die her-leidbaar zijn tot een bron, maar niet tot die bron gereduceerd kunnen worden. Die eigenschappen leiden als het ware een leven op zichzelf. In het geval van het brein en het bewustzijn is het bewustzijn een emergente eigenschap van het brein, het komt voort uit hersenactiviteit, maar valt niet samen met die hersenactiviteit. De relatie tussen brein en bewustzijn blijft daarmee twee vragen oproepen: a) hoe kan het brein bewust-zijn voortbrengen en b) hoe kan het bewustzijn zich in alle complexiteit ontwikkelen. Op de eerste vraag geeft Swaab alleen de richting aan van een antwoord. Dit is hem niet kwalijk te nemen want een dergelijk antwoord bestaat (nog) niet. Diverse filosofen en hersenwetenschappers hebben hun tanden hierop stuk gebeten en geconcludeerd dat deze vraag een onopgeloste puzzel is. Maar wat Swaab doet is het gelijkstellen van het beschrijven van het materiaal dat voor een gebouw is gebruikt met de beschrijving van de architectuur en esthetiek van dat gebouw.

Dr. J.P.R. de Jonge

Utrecht

Spinoza

Dat de dochter van Swaab geen antwoord heeft op de tegenwerping van haar vader is niet zo verwonderlijk. Misschien kan dat worden verduidelijkt aan de hand van de kennisleer van Spinoza. Spinoza onderscheidt drie vormen van kennis: aandoeningen, rede en intuïtie. Wetenschap, dus ook het werk van Swaab, valt onder de rede. De hoogste vorm van kennis is echter volgens Spinoza de intuïtie. Met de intuïtie kunnen wij de eenheid van alles ervaren. Deze kennis kan echter niet in woorden worden weergegeven. Dus is het begrijpelijk dat Swaabs dochter er het zwijgen toe doet.

Walther Micke

Moerkapelle

Sheldon Cooper

Het gemak waarmee Dick Swaab zijn hersenonderzoek vertaalt naar de rechtspraak en de kunsten doet mij denken aan de geniale wetenschapper en oppernerd Sheldon Cooper in de komische serie The Big Bang Theory.

Sheldon is theoretisch fysicus en kan dus alles in het universum verklaren. Alles. Is het niet vandaag, dan wel morgen. Alle rest is onzin. Die rechtlijnigheid hanteert hij ook in het dagelijks leven en in zijn sociale contacten. Dat werkt fantastisch, in een komische serie. Je moet er alleen niet aan denken om Sheldon (hij kan absoluut niet autorijden) het stuur van de samenleving in handen te geven. Iets dergelijks dreigt in het echte leven te gebeuren nu de resultaten van hersenonderzoek tot een nieuw soort predestinatieleer beginnen te leiden. In The New York Times (31 oktober 2011) waarschuwt neurowetenschapper Michael Gazzaniga hiervoor. Het idee dat de mens een automaat is die niet verantwoordelijk gesteld kan worden voor zijn daden, wint aan invloed en hij ziet dat niet als een positieve ontwikkeling, zeker niet in de rechtspraak. Concepten als vrije wil en eigen verantwoordelijkheid, stelt hij, hebben uiteindelijk niet zozeer met de hersenactiviteit te maken als wel met de afspraken die mensen met elkaar maken. Net als bij liefde, wantrouwen of generositeit is daarin geen plaats voor determinisme. Dat is wat Dick en Sheldon niet begrijpen. Kijken die serie!

Jos van de Haterd

Apeldoorn

Karakter

De centrale wetenschappelijke beperking van Swaab schuilt in zijn opvatting over het karakter: “We zijn een mix van genetische informatie, de complexe invloeden in de baarmoeder, en, in mindere mate, de ervaringen in onze eerste levensjaren. [...] je karakter ligt vast.” Hij perkt het begrip ‘karakter’ dus per definitie in tot een zo goed als aangeboren begrenzing van de mogelijke menselijke ontwikkeling. In recent onderzoek naar het karakter in de psychologie en psychiatrie wordt het karakter juist opgevat als dat deel van de persoonlijkheid dat zich over tientallen jaren na de geboorte ontwikkelt, en gebaseerd is begrip van jezelf, anderen en de wereld als geheel, en op de ontwikkeling van goede gewoontes in de omgang met jezelf en de omgeving.

Dit onderzoek toont ook aan dat die karakterontwikkeling niet louter ‘invulling’ van kennis en ‘bijschaving’ van bestaand gedrag inhoudt. Tweelingonderzoek laat zien dat individuele ervaringen met de omgeving na de geboorte een substantiële onafhankelijke invloed hebben op alle karaktertrekken. In welke verhouding dat om stress, intoxicatie en succesvolle ervaringen gaat moet nog nader worden onderzocht. Hopelijk spoort deze kritiek Swaab aan om een keer zo’n hoofdstuk aan zijn boek toe te voegen.

Jaap Goekoop

Universitair hoofdassistent biologische psychiatrie, LUMC, gepensioneerd Oegstgeest

Onwetenschappelijk

Over de term ‘brein’ kan worden gesteld dat er een wetenschappelijke omschrijving vanuit de biologie of geneeskunde bestaat. Swaab gebruikt deze wetenschappelijke kaders ook.

Dat geldt echter niet voor de ‘wij’. Die term wordt door Swaab niet op wetenschappelijke wijze (vanuit welke discipline dan ook) gedefinieerd. Dat is in het dagelijks leven geen onoverkomelijk probleem maar in de wetenschap wel. Vergelijkbare stellingen zijn bijvoorbeeld: God bestaat; Het leven is vurrukkulluk; De vrije wil bestaat niet. Allemaal onwetenschappelijke stellingen, waarover oeverloos gediscussieerd kan worden zodat alle participanten kunnen concluderen dat zij gelijk hebben.

A. van Dijk

Gz-psycholoog,Waddinxveen

Vergissing

In het vraaggesprek met Swaab wordt een opvatting van mij als volgt weergegeven: ‘De geest geeft mede de menselijke evolutie vorm. Ook die van het brein.’ Dat is een vergissing. In NRC Handelsblad van 22 april heb ik te kennen gegeven dat bij gelijkblijvend brein maatschappelijke factoren de samenleving grondig kunnen veranderen. Ik heb daarvan een reeksvoorbeelden gegeven.

André Köbben

Emeritus hoogleraar antropologie, Leiden

Naschrift: André Köbben heeft gelijk. De vraag was in het artikel te kort en daardoor onjuist samengevat. De vraag tijdens het gesprek luidde: ‘Zulke producten van de geest geven de maatschappij mede vorm, schreef onder meer antropoloog Andrë Köbben. En misschien zelfs de evolutie van het brein?’