Verbluffende Duitse portretten

Dürer, Cranach, Holbein; das deutsche Porträt um 1500. Kunsthalle der Hypo-Kulturstiftung, München. T/m 15 jan. 2012. Cat. (uitg. Hirmer): 352 blz., € 25,00. Inl.: www.hypo-kunsthalle.de. *****

In de portretkunst van de Renaissance spanden Vlaanderen en Italië de kroon. Tot welke schitterende resultaten dat in het zuiden heeft geleid, is nog enkele weken te zien in de tentoonstelling ‘Gesichter der Renaissance’ in het Bode-museum in Berlijn. Onverwachter, maar niet minder aantrekkelijk, is de presentatie van zo’n 170 Duitse renaissanceportretten, die nu is te zien in de kunsthal van de Hypo-Kulturstiftung in München.

In de Duitssprekende landen bestond al vroeg een belangstelling voor portretten die meer te bieden hadden dan eenvoudige stichtersbeeltenissen zoals die in altaarstukken werden opgenomen. Al omstreeks 1365 liet de Habsburgse aartshertog Rudolph IV zich op een opvallende manier portretteren. Het nog geen halve meter hoge paneel toont het gezicht van de vorst in driekwart aanzicht, herkenbaar aan een prominente inscriptie, maar voor tijdgenoten ongetwijfeld ook aan de gelaatstrekken met geloken ogen en een wat openstaande mond, lang blond haar en een korte baard. Hoewel Rudolphs kroon en kleding schematisch zijn weergegeven, is dit schilderij een gelukkige uitzondering tussen de vroegste portretten die in München worden getoond: veelal zijn dat nogal groteske koppen, met kinnen die onnatuurlijk vooruit steken of juist grotendeels ontbreken.

Omstreeks 1500 liep de Duitse portretkunst echter spectaculair in op die van Italië en Vlaanderen. Een centrale rol daarin speelde Albrecht Dürer (1471-1528), die in Venetië verbleef en de Nederlanden bereisde, maar ook de tradities van zijn Zuid-Duitse Heimat verwerkte. Een reeks busteportretten van zulke uiteenlopende figuren als familieleden van de schilder, een anonieme Venetiaanse jongedame en keizer Maximiliaan getuigen van Dürers scherpe observatievermogen en uitnemende schildertechniek.

Dürers erfenis ging over op de twee andere schilders die in de tentoonstelling centraal staan: zijn generatiegenoot Lucas Cranach (1472-1553) en de ruim een kwart eeuw jongere Hans Holbein (1497/98-1543). Cranach maakte zijn statige portretten van strenge heren en ingesnoerde dames met kattenogen vooral als hofschilder van keurvorst Frederik de Wijze. Zijn verblijf aan Frederiks hof in Wittenberg bracht hem ook in contact met hervormers als Melanchton en Luther. Van Hans Luther – Maartens vader – maakte Cranach een indrukwekkende tekening als voorbereiding voor een (niet in de expositie opgenomen) geschilderd portret.

Holbein werkte eerst in het Zwitserse Bazel, en zou zich later vooral onderscheiden als hofschilder in Londen. Voor de legendarische vrouwenverslinder koning Hendrik VIII maakte hij een reeks portretten van huwbare Europese adellijke dames om de koning een idee te geven van zijn potentiële bruiden. Holbeins verbluffende vermogen mensen weer te geven alsof ze levend voor je staan – zonder twijfel de belangrijkste functie van portretten in die tijd – blijkt bijvoorbeeld uit het schilderij van een anonieme, volgens de inscriptie 28-jarige koopman. Hij is gehuld in gedetailleerd weergegeven fluweel en bont, en kijkt de beschouwer aan. Het gezicht met een zweem van de baard is subtiel gemodelleerd en de oogopslag kalm en zelfverzekerd.

De ‘grote drie’ van de Duitse portretkunst dreigen al het andere te overschaduwen. Maar in de strak ingerichte zalen van de Hypo-kunsthal is nog veel meer te zien: tekeningen en prenten, penningen en enkele bijzondere bronzen busten en houten reliëfs van minder beroemde kunstenaars als Hans Daucher en Friedrich Hagenauer, die beiden vooral in Augsburg werkten.

En het is een anonieme schilder die mooi laat zien hoe het genre dat op het eerste gezicht het leven viert, ook alles met vergankelijkheid te maken heeft. In het portret van de schilder Hans Burckmeier en zijn vrouw Anna kijken die twee de beschouwer aan, maar vanuit de spiegel die Anna vasthoudt, worden zij op hun beurt aangestaard door twee doodshoofden.

    • Bram de Klerck