Strijd is uit de tijd

Steven Pinker schreef een 800 pagina’s dikke geschiedenis van onze gewelddadigheid. Die neemt af, is zijn vaste overtuiging, oorlogen en wreedheden zijn steeds minder talrijk, onder meer omdat de mens slimmer is geworden. Heeft Pinker gelijk met zijn erudiete betoog?

In this screen shot provided by Activision, “Call of Duty: Modern Warfare 3,” the upcoming installment of the popular shooter series, is shown. Activision is launching “Call of Duty: Elite,” an online platform for the game, later this year. (AP Photo/Activision) AP

Steven Pinker: The Better Angels of Our Nature. The Decline of Violence in History and its Causes. Penguin Books, 802 blz. € 21,- De vertaling verschijnt half december bij Contact.

Stel, je bent dertig. Dan ben je geboren in het jaar dat de bloedige grensoorlog uitbrak tussen Iran en Irak, zette je de eerste stapjes toen de Britten de Falklands heroverden op de Argentijnen, en zat je in groep vijf toen de Irakezen werden verdreven uit Koeweit. Je zat net op de middelbare school of de razernij brak uit in Rwanda en Joegoslavië spatte bloedig uiteen. Je was al volwassen toen de VS doelwit waren van de grootste terreuraanslag uit hun geschiedenis. Daarna werd de neiging stilaan sterker om weg te zappen van de beelden uit Irak en Afghanistan.

Als iemand beweert dat het geweld in de wereld op zijn retour is, lijkt dit in tegenspraak met onze ervaring. Toch komt Steven Pinker met sterke argumenten in zijn nieuwe boek: The Better Angels of Our Nature. De titel is ontleend aan een uitspraak van Abraham Lincoln en verwijst naar menselijke vermogens als empathie, moraal en rede. Volgens Pinker, hoogleraar psychologie in Harvard, krijgen die ‘betere engelen’ in de loop der geschiedenis steeds meer vat op de ‘innerlijke demonen’ van de mens, zoals prooigedrag, wraak, sadisme en totalitaire ideologieën. Met als gevolg dat er steeds minder oorlog wordt gevoerd en de moordcijfers in de wereld gestaag dalen.

Om de lezer daarvan te doordringen wijdt Pinker een impressionistische inleiding aan het vele geweld in de culturele en historische canon – van de soms ronduit genocidale passages in de Hebreeuwse Bijbel en in Homerus’ Ilias tot het beulszwaard waarmee Hendrik VIII zijn jaloezie uitleefde en andere vroegmoderne vormen van vergelding.

Vervolgens schrijft hij in de eerste hoofdstukken een wereldgeschiedenis van geweld en oorlog, waarbij hij kwistig gebruik maakt van statistieken. Bijna alle grafieken waarin geweld is afgezet tegen de tijd laten neergaande lijnen zien: de laatste vijf millennia is geweld in al zijn verschijningsvormen – moord, doodslag, oorlogen tussen staten, burgeroorlogen, geweld van milities en krijgsheren, terrorisme en genocide – afgenomen. De grafieken vertonen pieken en dalen, maar de lijnen door de gemiddelden lopen omlaag.

Volgens de uitgever is ‘dit boek voorbestemd het meest controversiële en beroemdste werk te worden’ van de auteur, die eerder bestsellers schreef over taal en het menselijke brein. Maar zo nieuw is zijn betoog nu ook weer niet. Pinker mengt zich in een debat dat in 1996 werd geopend door de Amerikaanse archeoloog Lawrence Keeley met zijn boek War before Civilization (1996). Keeley ging in tegen een school van archeologen en prehistorici die, in navolging van de 18de-eeuwse filosoof Jean-Jacques Rousseau, beweren dat oorlogvoering pas begon met steden en staten, en dat de prehistorische mens, de ‘nobele wilde’, relatief vreedzaam was. Intussen zijn de meeste onderzoekers het erover eens dat in de prehistorie zo’n kwart van de volwassen mannen gewelddadig aan zijn eind kwam.

Oorlogswil

Keeley kreeg bijval van de militair historicus Azar Gat, die in zijn monumentale War in Human Civilization (2006) concludeert dat oorlog in de loop der tijd steeds minder lonend is geworden en de oorlogswil is afgenomen. Pinker leunt in zijn historische overzicht zwaar op Keeley en Gat. Zijn eigen bijdrage bestaat vooral uit de twee psychologische hoofdstukken (‘Inner Demons’ en ‘Better Angels’), waarin hij uiteenzet dat de historische ontwikkelingen zo zijn dat de meer vreedzame functies van het menselijke brein steeds vaker worden gemobiliseerd. Daarnaast onderzoekt Pinker, anders dan Keeley en Gat, naast gewapende conflicten ook andere vormen van geweld: van het slaan van kinderen tot verkrachting en moord.

Pinker benoemt een aantal historische omwentelingen die zouden hebben bijgedragen tot een minder gewelddadige wereld, zoals de pacificerende werking van de landbouw, en het ‘civilisatieproces’. Dat is de titel van een klassieker uit 1939 van de Duitse socioloog Norbert Elias, die Pinker kennelijk pas heeft ontdekt (hij noemt Elias ‘the most important thinker you have never heard of’). Afname van massaal geweld, zegt Pinker Elias na, past in het proces waarin de mens op de lange duur zijn driften leert beheersen. Eer wijkt voor persoonlijke waardigheid, de staat monopoliseert het geweld, en handel zorgt dat vrede loont.

Ook de ‘humanitaire revolutie’, onderdeel van de Verlichting, had een dempend effect op geweld. In de 18de eeuw werd gerechtelijke marteling afgeschaft, begonnen veel landen de lijst met vergrijpen waarop de doodstraf stond in te korten. Aan zaken als duelleren, heksenjachten, religieuze vervolgingen en slavernij werd eveneens een eind gemaakt. In de naoorlogse wereld volgde tenslotte nog een hele serie ‘rechtenrevoluties’ (mensenrechten, burgerrechten, vrouwen- en kinderrechten, homorechten, dierenrechten), die een groeiende weerzin tegen agressie weerspiegelen.

Het cliché dat ‘de 20ste eeuw de meest gewelddadige was in de geschiedenis’ negeert volgens Pinker de tweede helft van die eeuw en gaat zelfs niet op voor de eerste helft, als we het aantal gewelddadige sterfgevallen berekenen als percentage van de wereldbevolking. Na 1945 begon in Europa een ‘Lange Vrede’; oorlogen tussen staten bleven uit. Pinker wijst ter verklaring op de groei van democratie, wereldhandel en het ontstaan van internationale organisaties. Liberale democratieën, zegt hij historicus Azar Gat na, zijn de minst oorlogszuchtige samenlevingen. Burgers worden er gesocialiseerd tot vreedzaam, door de wet gestuurd sociaal gedrag en zij verwachten dat hun regering dezelfde normen toepast in de omgang met andere staten.

Wie mocht denken dat deze trends beperkt blijven tot Europa, krijgt van Pinker ongelijk. Geweld en oorlog namen na 1945 overal af, ook in ontwikkelingslanden. Wel ging de afname van het aantal oorlogen tussen staten na de dekolonisatie gepaard met meer burgeroorlogen, maar daarin komen minder mensen om dan in oorlogen tussen staten. Sinds de jaren tachtig, tenslotte, zijn alle soorten wapengeweld – burgeroorlogen, genocide, repressie door autocratische regimes en terroristische aanslagen – wereldwijd afgenomen. Het aantal gedocumenteerde sterfgevallen als gevolg van oorlogsgeweld bedroeg de afgelopen tien jaar een paar honderdste van een procent van de wereldbevolking als geheel.

Pinkers betoog is meeslepend en vaak overtuigend, maar vertoont ook zwakke plekken. De heilzame gevolgen van wat hij in navolging van Elias het civilisatieproces noemt, zijn aantoonbaar voor West-Europa, maar veel minder voor de Verenigde Staten. Elizabeth Kolber van The New Yorker merkt op dat het moordcijfer – het aantal moorden per jaar op 100.000 inwoners – van New Orleans vorig jaar 49 was, ongeveer even hoog als Amsterdam in de 15de eeuw. Pinker stelt dat Amerikanen, vooral die in het zuiden en westen, nooit akkoord zijn gegaan met een geweldsmonopolie voor de staat. De opmars van de op eergevoel gebaseerde straatcultuur in Afro-Amerikaanse gemeenschappen doet de rest.

De zwakste stee in Pinkers betoog is de manier waarop hij zich rekenschap geeft van de niet-westerse werkelijkheid – een oude makke van de psychologie als discipline. Als het gaat om niet-westerse moordstatistieken vindt Pinker alleen de cijfers van Wereld Gezondheidsorganisatie enigszins betrouwbaar. Die geeft een wereldwijd gemiddelde van 8,8 op 100.000. Dat cijfer, zegt Pinker, steekt gunstig af bij de scores met drie decimalen van prehistorische samenlevingen en die met twee cijfers van middeleeuws Europa. Gewelddadige landen als Rusland (29,7 moorden op 100.000) en Zuid-Afrika (69) zouden na de val van hun regimes in de jaren negentig zijn ‘gedeciviliseerd’.

Pinker schrijft dat democratieën, áls ze dan toch oorlog voeren, weinig slachtoffers maken. Dat is de vraag. De Britse socioloog Martin Shaw noemt hedendaagse oorlogen – reguliere legers uit westerse democratieën vechten tegen ongeregelde troepen, zoals in Irak en Afghanistan – risk-transfer wars. De steun van het westerse thuisfront slinkt naarmate er meer slachtoffers vallen onder de eigen manschappen en daarom worden verliezen zoveel mogelijk beperkt. Dat maakt de kans op burgerslachtoffers groter; het risico wordt afgewenteld op de bevolking van het oorlogstoneel.

Empathie

Pinker is optimistisch. De werkingssfeer van onze empathie zou groter worden door media, reizen en wereldburgerschap. Maar de belangrijkste ‘betere engel’, schrijft hij, is de rede. De mens is in de loop der tijd simpelweg slimmer geworden. Pinker: ‘Samenlevingen met hogere niveaus van intellectuele en schoolprestaties zijn ontvankelijker voor democratie en kennen minder burgeroorlogen.’

Pinker overtuigt niet op iedere bladzijde. Maar na een erudiet betoog van 800 pagina’s, boordevol historisch bewijsmateriaal, zal hij bij de meeste lezers een sprankje vooruitgangsgeloof hebben gewekt.

    • Dirk Vlasblom