Requiem voor Joe

V oor Joe Frazier zette ik in de jaren zeventig ’s nachts de wekker. Zijn halfnaakte verschijning maakte een welhaast religieuze stilte los, in mezelf en in de nacht. Het is een rare paradox, maar van een linkse hoek kun je stil worden. Het mooiste aan Smokin’ Joe was zijn alledaagsheid. Het hele leven alleen maar geploeterd vanuit achterstand, en vernedering, toch wereldkampioen. In zijn ondefinieerbaar charisma was hij bijna de gelijke van Martin Luther King. Met aftrek van het spreken.

Ik was fan, Hugo Claus ook. Samen hebben we de jeunesse dorée beklaagd dat ze schoonheid van Joe Frazier en Muhammad Ali in de ring niet heeft meegekregen. Iedereen heeft het altijd over de danskunst van Ali, maar Frazier had ook voeten die zijn handen ritualiseerden. Hij was helemaal niet de lompe kolossus die er zomaar in het wild op los beukte. De ranke elegantie van Ali was hem niet gegeven, maar aan stootkracht en techniek ontbrak het niet. En hij bediende zich zelden van brallerigheid. Veel verder dan een monologue intérieur kwam hij niet. Ook dan nog met het patina van verlegenheid. Hij hield zich ver van de casuïstiek van het bloed. Maar in de ring sloeg hij het juk van een betekenisloze predestinatie van zich af.

Machine van gerichte mokerslagen.

Boksen is superieure sport, kunst zelfs. Cinematografie ook. Louis, Ali, Frazier, Foreman: hang hun hoofden als stillevens aan de muur en je hebt een fantastische fototentoonstelling waar je veertig jaar later nog even ontroerd naar kijkt. Zwarte jazzmusici uit die tijd hebben ook die fotogenieke eeuwigheid over zich.

Uiteraard in zwart-wit.

Nederland heeft geen echte bokshelden meer. De laatste was Regilio Tuur. Heel even dan. De Rotterdammer verloor al snel zijn authenticiteit, inclusief sportieve moraal. Gedegradeerd tot clown van de catwalk; nabootsertje van B-acteurs. Zijn pompeuze sensatie verschraalde tot RTL Boulevard-achtige onnozelheid. Tuur: niet eens nog voetnoot in de Nederlandse sporthistorie.

Ziekte had zijn leven getekend, hij liep met een stok, want kreupel en quasi blind. Toch zag je bij Frazier onverminderd de trots van een kampioen. Misschien ook omdat hij eerder had ervaren wat de bijna doodservaring is. Zijn partij tegen Ali in The Thrilla in Manila was een ongekende uitputtingsslag die in geen enkele sportdiscipline ooit nog geevenaard is. Het incasseringsvermogen van de heren was buitenaards – dieper kun je niet gaan. Helemaal uitgewoond strompelden ze de ring uit, met alleen nog zwarte sneeuw als straaldraad voor de ogen. En omgekeerd: in hun totale verruïnering triomfeerde het menselijk lichaam.

Ik zat in het olympisch stadion van Atlanta toen Ali de fakkel hooghield waarmee hij het olympisch vuur moest aansteken. Zijn bevende Parkinsonhand werd in close-up genomen. Een ondraaglijk beeld. Van de hand schoof de camera naar het gezicht, en opnieuw zag ik hoe gaaf zijn gezicht was gebleven, ouderwets bestraald met de glans van boenwas. Een trillend standbeeld.

Frazier was ruiger van snit, maar ook hij behield na het boksen de glans van een oude viool.

Aartsvijanden werden ze genoemd, Frazier en Ali. Dat stigma mogen boksmanagers graag rondbazuinen. Ik denk dat het wel meeviel. De condoleance van Ali getuigde in ieder geval van respect voor zijn historische antagonist.

Boksen is noblesse.

Ali stuurde niet zichzelf, maar een geest in de ring. Joe Frazier was minder magisch, aardser. Hij danste op wanhoop en frustratie.

Meer een mens die per ongeluk legende is geworden. Wel een mooi mens.

    • Hugo Camps