O, wat lijd ik weer prachtig

Paolo Sorrentino is een filmer, die als een filmer schrijft. Flitsend, snel schakelend, associërend, impressionistisch – over een Napolitaanse volkszanger. Een idool, nihilist en betweter die de lezer adviezen geeft uit de leerschool van zijn leven.

Singer Riccardo Cocciante performs on the stage of the Ariston Theatre in Sanremo, during the 60th Italian Music Festival on February 18, 2010. AFP PHOTO/ Tiziana Fabi AFP

Paolo Sorrentino: Iedereen heeft gelijk Vertaald (Tutti hanno ragione) door Etta Maris. Lebowski, 352 blz. €19,95

De hoofdpersoon van de roman Iedereen heeft gelijk is uitzinnig. Tony Pagoda heet hij en hij is een Napolitaanse volkszanger. Niet volks in de zin van André Hazes, meer ‘van het volk’, zoals Jacques Brel dat was. Een artiest met de weerklank van Huub van der Lubbe, maar dan vele malen consequenter aanbeden: wat hij ook doet of laat, hij kan niet stuk. Het type dat naar nachtclub ruikt. Tony Pagoda is Tom Jones op zijn Italiaans. Zijn grote voorbeeld heet trouwens niet Tom Jones maar Frank Sinatra.

Er werken in Italië nog altijd veel van zulke entertainers, maar in de jaren tachtig, waarin deze roman van start gaat, floreerden ze ongekend. De tijd van bandplooibroek, betamax en Ballantine’s. De bakkebaarden breed, de schoudervullingen tot bij de oren en ook mannenlaarzen hebben flinke hakken. Luid is mooi, extreem is de norm. Even flamboyant als verbeten wordt voldaan aan de opdracht van de generatie van de jaren zestig die de almacht van de verbeelding eiste.

Tony Pagoda is zo beroemd dat hij nauwelijks meer hoeft te zingen. In de cirkel van een spotlight verschijnen is zo ongeveer genoeg. Schor hijgt hij wat in een microfoon, om vervolgens zijn zwaargevreten lijf weer naar een partyhol te hijsen voor cocaïne, drank en vrouwen (in die volgorde). Tussendoor (ja, er is tijd voor tussendoor) koestert hij grote plannen waar nooit iets van terecht komt.

‘Vunzige waarheid’

Auteur Paolo Sorrentino (1970) voert ons mee in de herinneringen van Tony Pagoda, nihilist en betweter die de lezer adviezen geeft uit de leerschool van zijn leven. Hij onderhoudt zijn gehoor over de ‘vunzige waarheid’ van het ouder worden. Over het ‘onmenselijk geduld’ van jonge jongens die zich onsterfelijk waanden, wachtend ‘tot iemand ons het echte leven met een lepeltje zou voeren’.

We krijgen lessen in verleiding. In ruziemaken. In vriendschap. Hij is ook niet te beroerd om een tirade af te steken over trivialiteiten die hem hinderen, zoals het decorumverlies van mannen in trainingspak of het feit dat niemand meer weet dat de frisdrank Fanta een Italiaanse uitvinding is.

Maar Tony Pagoda vertelt vooral over zichzelf. Over een jongen van niks, maar hij had een talent. Over zijn opkomst als zanger en over zijn ondergang als mens. En over zijn vele vreemde ontmoetingen. Zoals de man die in de kerstman geloofde omdat zijn ouders verzuimden hem te vertellen dat die niet bestond. Of de vrouw met de hond met hoofdpijn. Hij vertelt hoe hij uiteindelijk onderduikt in een ver land waar niemand hem kent. Eindelijk rust.

Iedereen heeft gelijk daarmee besluiten was te makkelijk geweest, nu komt het erop aan. Sorrentino gaat door. Tony Pagoda wordt teruggevonden. Hij is nu op gevorderde middelbare leeftijd, maar eens te meer een idool, want verguld met het mysterie van zijn jarenlange verdwijning. Hij krijgt een ‘offer he can’t refuse’ en laat zich Italië en het nieuwe millennium binnenlokken.

Voor een onbedaarlijk bedrag ingehuurd als privé-vertier door de nouveau très riche, keert hij terug naar het Italië van Berlusconi’s tv-stations. Dat had hij niet moeten doen. Zo schraal van geest is zijn land geworden dat de weerzin hem verlamt. Maar hij moet voort, in een wereld die lelijk is en smakeloos en kil. En vol met mensen die hij veracht.

Kijk door je wimpers en je herkent Giacomo Casanova. Libertijn, schelm, egomaan en levensgenieter. Lievelingskind van de 18de eeuw, een eeuw die zich met zijn uitzinnige kostuums (ook voor de mannen), conventies en uitspattingen kan meten met onze manische jaren tachtig. Ook Casanova besluit zijn leven in dienst van een rijk en machtig heer. Ook Casanova kwijnt weg in de moderne, versteende wereld die in zijn ogen geen cent waard is.

Sorrentino echoot met Tony’s spectaculaire ontsnapping aan de drugspolitie aan het begin van het boek de vlucht voor de geheime politie van de Venetiaanse dogen waarmee Casanova zijn De geschiedenis van mijn leven (postuum uitgegeven in 1830) begint. Tony’s zelfverzekerde ijdelheid doet sterk aan Casanova denken, en ook zijn obsessionele ‘echte’ liefde voor die ene verdwenen ideaal-vrouw. Casanova en hij delen een principieel amorele levenshouding, een klein hartje, hun vermogen tot verrukkelijk gejeremieer, hun gepoch over exuberante avonturen. Plus een liefderijke haat c.q. hatelijke hartstocht jegens vrouwen, die een onstilbare nieuwsgierigheid naar de andere sekse verhult.

Pagode

Zelfs hun namen komen overeen – beide verwijzingen naar een dak boven het hoofd van deze mannen (een ‘nieuw huis’ en een ‘pagode’) wier probleem het uiteindelijk is dat het ze aan geborgenheid ontbreekt.

Door Casanova tot leven te wekken, claimt Sorrentino filosofische diepte voor zijn boek. Bij alle krankzinnigheid beweent hij via Tony Pagoda Italië als een vervallen rijk, waar ‘we hebben besloten om ons hele leven vakantie te vieren.’ Waar de haaien de baas zijn. Die zijn net zo corrupt en misdadig en zelfzuchtig als hun voorgangers, maar anders dan zij niet trots meer op hun grond en cultuur. Zij verpatsen land, volk en tradities, terwijl ze ‘inspanning en talent [degraderen tot] scheldwoorden.’

Iedereen heeft gelijk draait soms dol. Er kunnen wel wat verhaallijnen uit. De vertaling oogt soms als een haastklus: ‘zakkenlopen’ is zaklopen; ‘principe di Galles’ zijn ruitjes die in het Nederlands prince de galles heten en ‘decaden’ noemen we decennia. Ondanks zulke vuiltjes behoudt die vertaling knap de doordender-kwaliteit van het oorspronkelijke boek. En dat is prijzenswaardig, ook omdat dit niet zomaar een literair werk is. Het is het boek van een filmer die ook als een filmer schrijft: flitsend, associërend, snel schakelend, impressionistisch. Sommige scènes zijn geschreven alsof er door een camera is gekeken. Een vuistgevecht lijkt opgetekend in de saloon van een spaghettiwestern van Sergio Leone.

Paolo Sorrentino’s bekendste films heten Le conseguenze dell’amore, over een gedegradeerde maffia-consigliere, en Il divo, over een gecorrumpeerde politicus, de christendemocraat Andreotti, voor Berlusconi de machtigste man van Italië. Volgend voorjaar komt in Nederland zijn volgende meesterwerk uit: This Must be the Place, over een doorgetripte popster, met Sean Penn in de hoofdrol. Al die films gaan au fond over iemand als Tony Pagoda: een mateloos succesvol man die geen uitzicht meer heeft en het leven is gaan verachten.

Kameleontische stijl

Net als in zijn films hanteert Sorrentino voor zijn romandebuut een kameleontische stijl die wordt ingegeven door het onderwerp. De volksliederen, dus. Pompeus, maar ook bruisend. Anders dan de Nederlandse smartlap is zo’n levenslied niet zo eenvoudig mogelijk geformuleerd (‘Ik hoef je niet te zeggen / dat ik van je hou…’), maar tegendraads, met barokke wendingen. Hetzelfde geldt voor dit boek. Elk hoofdstuk wordt ingeleid met een citaat uit een canzone, zoals ‘Laten we het ook met God proberen / je weet maar nooit’ (Ornella Vanoni) of ‘Ik ben verliefd op je geworden / omdat ik niets te doen had…’ (Luigi Tenco). Volgens Tony zijn die liederen ‘wastobbes van onbehagen’.

Hij denkt en praat met hun pathos, hun chagrijn, en hun overdrijving als hij dingen zegt of denkt als: ‘Haar sterke en zachte ogen zeiden me dat ik onmisbaar was in een universum van overbodige mieren.’ Hoor je zoiets dan denk je: ja (slik), inderdaad (slik) zo zit het. Dan kom je bij je positieven en je weet: nee, het is gezwets. Vervolgens denk je: goddelijk gezwets, dat wel.

Tony legt zich neer bij zijn levensverdriet. Op zijn knieën geniet hij weer, nu van zijn nederlaag: o, wat lijd ik prachtig. Hij vat moed. Hij gaat door, hij zal weer aanvallen. Oftewel, in de door Sorrentino aangehaalde woorden uit een chanson van Charles Aznavour: ‘In mijn blauwe pak / heb ik geduld…’.

    • Joyce Roodnat