Met een vrouw kun je beter praten

De moskee biedt ook maatschappelijke bijstand. Er is een mannenspreekuur en een vrouwenspreekuur. „Als uw dochter werkt, is dat goed.”

den haag moskee de wasruimte foto nrc rien zilvold

Hij kijkt getergd. De man in lange zwarte jas is net op groene Crocs de ruimte naast moskee El Islam in Den Haag binnengestapt. Daar zitten vier vrouwen, twee aan twee, achter tafels met laptops. De man gaat bij een van de tafels zitten en vertelt op fluistertoon zijn verhaal.

Hij maakt zich grote zorgen over zijn zoon van 18. Die zoon wil niet naar school, niet werken, hij hangt op straat. En hij luistert niet meer naar zijn vader. Is er nou niemand die hem achter de vodden kan aanzitten?

Faouzeya Yahia (33) en Hayat (21) luisteren aandachtig. Aan de andere tafel zitten Suzanne (20) en Siham (24). Daar schuift een paar minuten later een oude grijze man aan.

Faouzeya Yahia heeft het spreekuur opgezet. Ze werkt bij een islamitische stichting die moslims steunt die het moeilijk hebben. Hayat, Siham en Suzanne zijn derdejaars studentes maatschappelijk werk en dienstverlening aan de Haagse Hogeschool. De hulp die zij bieden in de moskee, is onderdeel van hun stage.

Maar alle vier hebben een hoger doel. Ze wilden de bezoekers van hún moskee hulp bieden als die dat nodig hebben. Net zoals kerken dat doen. Binnen kerken is de vrijwilliger veel meer ingeburgerd. De moskee heeft meer taken dan alleen religieuze, zegt Yahia. Een moskee moet maatschappelijk betrokken zijn, vindt ze. „Als een gezin schulden heeft, kunnen ze naar de schuldhulpverlening. Maar dat doen ze niet. Dat vinden ze eng of gênant. Wij zijn vertrouwd. Zeker als de imam na het gebed heeft gewezen op het spreekuur.”

De mannen hebben er geen moeite mee hun verhaal aan een vrouw te vertellen. Ze zien ons als hulpverlener, denkt Yahia. Bij een streng orthodoxe moskee zou het lastiger liggen, dat wel. Ze denkt ook dat islamitische mannen hun problemen makkelijker aan een vrouw vertellen dan andersom.

Armoede is een groot probleem in de Haagse Schilderswijk. Er niet voor uit durven komen ook, zegt Faouzeya Yahia. Vooral mannen vinden het een afgang om toe te geven dat ze niet rond kunnen komen. „Ze houden de schijn op. Soms bagatelliseren ze: ‘We hebben toch en dak boven ons hoofd. We hebben toch te eten.’ Maar als er geen geld is voor sportles van de kinderen, dan is dat ook armoede.”

De oude grijze man aan de tafel van Siham en Suzanne kreeg drie dagen geleden een brief van de deurwaarder. Hij schrok zich dood. Hij heeft een AOW-uitkering met een aanvullende inkomensvoorziening voor ouderen. Maar die aanvulling heeft hij al maanden niet meer gekregen. „Heeft u daarover post ontvangen”, informeert Siham vriendelijk. „Het is handig als u met álle brieven van de uitkeringsinstantie bij ons komt.” De man besluit naar huis te gaan om de papieren op te halen.

De studentes hebben tijdens hun opleiding en een extra training schuldhulpverlening geleerd wat ze moeten doen om behulpzaam te zijn. En wat ze niet moeten doen. Ze moeten niet iets beloven wat ze niet kunt waarmaken, weten ze. Daarnaast is het belangrijk om dóór te vragen. Als iemand langskomt die schulden heeft, bijvoorbeeld. Wie heeft die schulden gemaakt? Hijzelf of zijn vrouw? Heeft hij een nieuwe televisie gekocht of zijn de vaste lasten te hoog?

Ze moeten regelmatig samenvatten. En de persoon tegenover hen laten meedenken. Anders leunt die achterover en denkt: lekker handig.

De één na de ander komt binnen. Vaak schuchter, soms vastberaden. Een enkele hulpvraag is simpel. Ouderen die onvoldoende Nederlands spreken, komen met een brief die ze niet begrijpen. Zij kunnen in het Arabisch of Berbers geholpen worden.

Vaak zijn de vragen lastiger. Dan verwijzen de vrouwen door naar andere instanties. Zoals de vader die zich zorgen maakt om zijn zoon. Yahia kent een mentorproject waarbij dit soort jongens worden begeleid. Ze zal contact zoeken. „Maar dan moet de zoon wel zelf willen meedoen.”

Een vrouw met een grote Lidl-boodschappentas komt binnen. Mag ze wat vragen? Zeker, maar niet nu. De vrijdagmiddag is voor de mannen.

Op woensdagmiddag is er een spreekuur voor vrouwen. Ook dan komen er veel sociale problemen langs. Gescheiden vrouwen die niet rond kunnen komen, vrouwen die soms de deur niet uitmogen. Ze stellen opvoedingsvragen, net als de mannen.

Ouders hebben soms moeite om hun kinderen bij te benen. Dochters van vijftien jaar willen werken. Yahia: „Toen ik zestien was, mocht ik absoluut niet werken. Mijn ouders waren vooral bang voor de reactie van anderen. Uiteindelijk heb ik op mijn zeventiende de strijd gewonnen. Nu werkt iedereen.”

De vrouwen van de profeet waren handelsvrouwen, zegt Yahia dan tegen de ouders. Die zaten niet op de bank. „Als uw dochter werkt, is dat goed. Zo kan ze zelf de dingen kopen die ze wil.”

De oudere man die een brief kreeg van de deurwaarder, komt binnen met een plastic tas. Daarin een klein stapeltje post. Het is alles wat hij kon vinden, zegt hij.

Siham opent eerst een brief van het ziekenhuis. „U heeft vrijdag een afspraak”, zegt ze tegen hem. Hij kijkt verbaasd.

Dan gaat ze bellen met de uitkeringsinstantie. „Heeft u kinderen?”, vraagt ze, terwijl ze in de wacht staat. De kinderen van de man wonen allemaal ver weg.

Hij heeft hulp nodig bij zijn administratie, zegt Siham later. En eigenlijk zou er iemand met hem mee moeten naar het ziekenhuis. Volgens haar is hij licht aan het dementeren.

Faouzeya Yahia zal bellen met een ‘maatjesproject’ dat ze kent. Misschien kunnen zij een vrijwilliger leveren, die de man kan helpen.

Sheila Kamerman

    • Sheila Kamerman