Liever het 'echte' concert dan deze YouTubeversie

Marjoleine de VOS (1957) Nederlands journalist een columnist van NRC Handelsblad. foto VINCENT MENTZEL/NRCH==F/C==Nederland. Amsterdam, 25 februari 2010 ©Vincent Mentzel 2010

Tegenwoordig kijk je alleen maar tegen telefoontjes aan hè, zei Matthijs van Nieuwkerk tegen een popzangeres bij hem aan tafel. Hij had laatst, tijdens een concert, even op het podium gestaan en zag in de zaal alleen maar telefoontjes. Ze gaven licht en waren op het podium gericht. Je ziet helemaal geen mensen meer, zei hij een beetje onthutst.

Het popzangeresje schaterlachte. Het was een meisje dat de wereld schaterend tegemoet trad. Ze bracht tussen haar lachsalvo’s uit dat je dan wel meteen het optreden kon zien op YouTube.

Gelukkig maar, want in het echt heb je het gemist, mompelde ik op de bank. Men wil weleens wat mompelen tegen de televisie. Ik wilde er al bijna iets achteraan mompelen, met het woord ‘tegenwoordig’ erin. Toen bedacht ik dat het net zoiets is als de Japanse toeristen die thuis op de foto’s zien waar ze zijn geweest. Althans, dit beweerden wij, verslaafd aan het authentieke, altijd graag over hen.

Intussen is het raar voor een artiest als geen gezichten, maar lichtende telefoonschermpjes je aankijken uit een zaal. Het is of je een glimp opvangt van de toekomst zoals we ons die vroeger voorstelden, vol machientjes en robots.

In haar zeer sterke, met de Pulitzerprijs bekroonde boek A Visit From the Goon Squad – vertaald als Bezoek van de knokploeg – strekt Jennifer Egan haar verkenningen van de tijdgeest in het laatste hoofdstuk ook uit tot de nabije toekomst, 2020. De toekomst lijkt op het heden. Iedereen heeft een handcomputertje. Hiermee kun je alles. Ze zijn als onze smartphones, maar dan nog ietsje smarter. Je kunt er heel gemakkelijk mee texten. Dit doen de mensen voortdurend, ook als ze tegenover elkaar zitten, al praten ze natuurlijk ook.

Ook kleine kinderen hebben zulke handsets. Ze wijzen van alles erop aan – plaatjes, muziek, dingen die ze leuk vinden. Dit doen ze allemaal met het wijsvingertje. Zulke kleintjes worden pointers genoemd, naar die wijsvingertjes. De commercie weet deze pointers heel goed te vinden.

Nu ik het zo opschrijf, lijkt me er als het ware niets nieuws aan, aan die toekomst. Dit maakt hem des te waarschijnlijker. Gewoon een paar stapjes hiervandaan zijn we nog ietsje meer overgeleverd aan het gemak van onze kleine kastjes vol weetjes, spelletjes, muziek en contactmogelijkheden.

De wat ouderen hebben daar, in die toekomst, sterk het gevoel dat er iets is weggeraakt – iets echts, een moraal die ze hoog wilden houden, een inzet, bijvoorbeeld in de muziek. Die inzet is een andere dan de hang naar succes en verkoopbaarheid. Een man van een jaar of veertig heeft een discussie met een jonge vrouw over wat ‘echt’ is. Hij vindt het verkeerd om mensen in het geheim te betalen om ze op hun persoonlijke pagina’s heel spontaan als hun eigen mening te laten zeggen dat iets goed is – het gaat om een muzikant. De jonge vrouw vindt dat onmogelijk ouderwets gezeur. „Als ik ergens in geloof, geloof ik er in. Wat gaan jou mijn redenen aan?” Je gelooft er niet in als je redenen uit geld bestaan, zegt de man. „Dan is het flauwekul.”

Het is maar al te gemakkelijk om met die man mee te voelen. Hij heeft zonder meer gelijk, vinden lezers die net als hij nog uit het vorige tijdperk komen, maar de jonge vrouw vindt dit niet. Zij vindt het helemaal niet zo interessant om te weten waarom mensen iets doen – als ze het maar doen. Ze krijgt in zekere zin gelijk. Het resultaat van al die quasioprechte aanbevelingen voor de artiest in kwestie is een enorme opkomst bij zijn concert. Dit concert wordt door de bezoekers ervaren als buitengewoon ‘echt’ – in de zin van ‘authentiek’. De artiest is een oude rocker die min of meer buiten de maatschappij heeft geleefd en dus geen commerciële muziek maakt.

Dit laatste is de utopische kant van het verhaal, denk ik. Egan veronderstelt hier in feite dat wat zij, haar generatie, als ‘echt’ ervaart – niet-commerciële rockmuziek – uiteindelijk, als het de kans krijgt, de mensen toch weer voor zich zal weten te winnen.

Waarom denken we zo gemakkelijk dat wat in onze eigen tijd gebeurt, of gebeurde – als we het gevoel hebben dat onze eigen tijd al een beetje achter ons ligt – het ware en echte is en dat wat daarna komt min of meer een vergissing is en soms meer dan een vergissing: moreel fout, want niet ‘echt’?

Misschien is dit toch niet het voornaamste punt. Het gaat Egan wel degelijk om de overtuiging dat er iets bestaat wat waarachtig is – in de muziek, maar ook in hoe de mensen leven.

Het is veelzeggend dat ‘authenticiteit’ of waarachtigheid in de mode is. Het woord is alom aanwezig. Aangezien dat wat in de mode is altijd schaars is (anders was het geen mode), moet dit betekenen dat een deel van de mensen verlangt naar iets echts – iets echters dan op YouTube een popconcert zien dat opgenomen is met een smartphone, iets echters dan de smartphone.

    • Marjoleine de Vos