Het IMF kan de redder van Europa zijn, zonder spelletjes

Sommige economen vinden dat Europa zich verre moet houden van het IMF. Dat is niet slim. Het IMF heeft tenminste geen last van inertie, stelt Roel Janssen.

De Parlementaire Enquêtecommissie Financieel Stelsel kan een daad stellen. Na het opstappen van het lid Dion Graus (PVV) moeten alle leden van deze commissie-De Wit hun taak opgeven. Ze moeten vaststellen dat ze een likje mosterd na de maaltijd zijn en dat ze zijn ingehaald door de gebeurtenissen. Niet de banken, maar de eurolanden vormen de grootste bedreiging voor het financiële stelsel.

Terwijl de Kamerleden betrokkenen bij de bankencrisis ondervragen, stort de eurozone in elkaar. Als de leden van de commissie-De Wit toch zinvol willen doorgaan, moeten ze als de bliksem hun aandacht richten op de rol van Europese overheden en politici in de ontsporing van de eurocrisis. Ze kunnen in eigen huis beginnen. Anderhalf jaar geleden nam de Tweede Kamer met algemene stemmen een motie-Weekers – nu staatssecretaris van Financiën – aan, met de strekking dat „geen cent” van Nederland naar Griekenland mocht gaan. Dit heeft de besmetting niet tegengehouden. Honderden miljarden verder staat Italië op omvallen.

Deze crisis komt door mismanagement van Europese overheden. Ze hebben te traag, te laat en te weinig gereageerd op financiële ontwikkelingen. Zuid-Europese probleemlanden liepen met hervormingen en bezuinigingen achter de feiten aan. Parlementen in schulden- en overschotlanden bemoeilijkten snelle besluitvorming. Bestuurlijke arrangementen van de eurozone zijn totaal ongeschikt gebleken voor het management van een financiële schok.

De instellingen die snel hebben ingegrepen, zijn de Europese Centrale Bank en het Internationaal Monetair Fonds. De ECB is buiten zijn mandaat gegaan met steunaankopen van staatsobligaties, maar weigert het luik naar de geldpers wagenwijd open te zetten. Het IMF heeft een rol als lender of last resort, de laatste hulppost voor de financiële afgrond. Het IMF heeft bovendien ruime ervaring met de aanpak van landencrises.

Sommige economen, zoals Rodrigo Fernandez (Opinie, 7 november), bekritiseren het IMF desondanks.

Toen Latijns-Amerika begin jaren tachtig bankroet ging, moesten de getroffen landen een beroep doen op het IMF. Dit ging gepaard met devaluaties van de munten, afboeking van bankleningen, bezuinigingen op overheidsuitgaven en beschikbaarstelling van noodhulp. De IMF-programma’s in Latijns-Amerika riepen maatschappelijke weerstand op, maar het besef bestond dat de maatregelen onontkoombaar waren. Landen die weigerden zich aan het IMF-regime te onderwerpen – Peru en Ecuador – ontdekten dat ze een paria in de financiële markten werden en nergens meer terechtkonden.

Argentinië maakte er in 2001 een puinhoop van. Op aandrang van ideologisch gedreven, Amerikaanse monetaristen, die wilden bewijzen dat de Argentijnse ‘peso-dollar-koppeling’ – Argentinië had zijn munt gelijkgesteld aan de dollar – een zegening was die navolging verdiende, verstrekte het IMF een lening aan Argentinië. Het geld stroomde even hard het land weer uit. Een onhoudbare wisselkoers leidt onherroepelijk tot kapitaalvlucht, zie Griekenland en Italië in het eurogebied. Korte tijd later ging Argentinië alsnog bankroet. De staat confisqueerde het spaargeld van de bevolking.

Argentinië loste zijn schuld aan het IMF af met een zachte lening van vriend Chávez uit Venezuela. Buitenlandse schuldeisers konden naar hun geld fluiten. Tot de dag van vandaag heeft Argentinië geen toegang tot de internationale kapitaalmarkten.

In de meeste landen leidden de hervormingen van de IMF-programma’s tot structurele economische verbeteringen. Latijns-Amerika heeft zijn les geleerd na de schuldencrisis. Europa staat met de pet in de hand bij Brazilië te bedelen om geld voor de redding van de eurozone.

De Brazilianen zijn, evenals andere BRIC-landen, wellicht bereid dat geld via het IMF te verstrekken, in ruil voor grotere invloed in het bestuur van het IMF. Dit zal ten koste gaan van onder meer Nederland.

Na de Aziëcrisis van eind jaren negentig kreeg het IMF zware kritiek. Economen van naam, onder wie de Nobelprijswinnaar van 2001 Joseph Stiglitz, waren van mening dat het IMF het verkeerde recept had voorgeschreven: bezuinigingen en devaluaties. Hierdoor vielen lokale banken in de getroffen landen – Thailand, Indonesië, Zuid-Korea – om en werden bedrijven zwaar getroffen. Later had niemand het er meer over. Deze landen hebben zich sneller hersteld dan voorzien en behoren tot de succesvolle Aziatische economieën waarvan de westerse wereld in toenemende mate afhankelijk is.

Het IMF is sindsdien veranderd. Onder de vorige directeur, Dominique Strauss-Kahn, heeft het Fonds het initiatief naar zich toegetrokken door te waarschuwen voor de financiële crisis, maanden voordat overheden zich bewust waren van de gevaren. Zijn opvolger Christine Lagarde – de Amerikanen hebben de macht, maar de Fransen hebben de leiding bij het IMF – richt zich nadrukkelijk op de redding van Europa.

Het IMF is niet perfect en het maakt fouten, maar het weet wat het moet doen als een land op instorten staat en het wordt niet gehinderd door het politieke handjeklap dat de Europese besluitvorming zo lang verlamd heeft. IMF-delegaties komen van buiten en hebben geen neiging landen of politici de hand boven het hoofd te houden. We zien in Europa – met Italië en Berlusconi als meest recente en pijnlijke voorbeeld – waar dat toe leidt: politieke inertie. Hierdoor staat het eurostelsel op imploderen. Laat Rome zo snel mogelijk het nummer bellen van het IMF: + 1 202 627 7000.

Dr. Roel Janssen is oud-correspondent in Zuid-Amerika en oud-redacteur van NRC Handelsblad en auteur van Wellink aan het woord.