Groene energie als noodzaak

In tijden van financiële crises, zoals het huidige tijdsgewricht, verdwijnen vraagstukken die het energieverbruik, het klimaat en het milieu betreffen meestal naar het tweede plan. Alsof het om luxeproblemen gaat, die hooguit van later zorg zijn. Dat zijn ze niet. Daarom is het goed dat het Internationaal Energie Agentschap (IEA) deze week met zijn jaarlijkse Word Energy Outlook met enkele feiten naar buiten trad die, net als de schuldencrisis, een internationale aanpak vergen.

Het IEA kan als een ‘onverdachte bron’ gelden. Het gaat hier niet om een gezelschap doemdenkende milieuactivisten of klimaatwetenschappers die onderzoeksgegevens slordig interpreteren. Het IEA is een organisatie van energie-experts uit 28, voornamelijk westerse landen, grotendeels dezelfde als de leden van de OESO. Opgericht na de oliecrisis in de jaren zeventig om ervoor te zorgen dat de olievoorraden in het Westen op peil zouden blijven, heeft het IEA zich ontwikkeld tot een energie-denktank, die ook ten dienste staat van de G20, de grootste economieën.

Het agentschap wijst in zijn rapport niet alleen op de ernstige gevolgen voor het klimaat wanneer de uitstoot van broeikasgassen als CO2 niet substantieel wordt teruggedrongen, maar ook en vooral op de economische noodzaak van de opwekking van duurzame energie. Veelzeggend is een prognose in het rapport dat iedere energiedollar die voor 2020 niet wordt geïnvesteerd in schone energie, na 2020 4,3 dollar kost.

Eerder deze week wees een denktank voor het klimaatbeleid, de European Climate Foundation, erop dat het opwekken van duurzame elektriciteit al spoedig niet meer duurder zal zijn dan het exploiteren van fossiele brandstoffen. Het belangrijkste argument tegen investeringen op korte termijn in ‘groene’ energie zou daarmee vervallen.

Voor veel Chinezen is dit goed nieuws. In het IEA-rapport staat de prognose dat China ook in 2035 nog altijd de grootste energieverbruiker ter wereld zal zijn; het ‘verstookt’ dan bijna 70 procent meer dan de Verenigde Staten. Vanzelfsprekend zullen ook andere opkomende economieën een groter aandeel van de mondiale energievoorraad opeisen.

Maar zet dat af tegen de situatie in Peking, zoals onlangs in deze krant werd beschreven. De hoofdstad van China is al wekenlang bedekt „door een steeds dikkere bruingroene, bij vlagen donkergele deken van stofdeeltjes, roet en woestijnzand”. Oorzaak: vooral het groeiende autoverkeer. Niets aan te doen, volgens de officiële partijkrant Volksdagblad: „China heeft nog niet dat stadium van economische ontwikkeling bereikt dat het van schone lucht een prioriteit kan maken.”

Die urgentie is er wel. Voor China, voor het Westen, overal. Omdat fossiele brandstofvoorraden eindig zijn. Omdat energie onmisbaar is. En omdat schone lucht en gezondheid geen luxe zijn.