Een babyneefje

‘Stand-up philosopher”, noemt Laura van Dolron (1976) zich met een zelfbedacht begrip. Wat ze doet houdt het midden tussen cabaret en toneel. Ze schrijft haar eigen bespiegelende, autobiografische teksten, schuwt daarbij de ironie niet, maar mikt nooit op de vette lach. De actualiteit mijdt ze zoveel mogelijk, het gaat haar om wat mensen drijft – vooral in hun onderlinge contact.

We barsten allemaal van de opinies, zegt ze, daarmee willen we ons onderscheiden van elkaar, maar onze overeenkomsten zijn groter dan onze verschillen. Daal je af van het hoofd naar het hart, dan willen we allemaal liefde, en niet eenzaam zijn.

Eigenlijk zou je haar boodschap niet moeten samenvatten. Zoals bij elke goede kunstenaar gaat het bij haar om de kronkelwegen die naar die boodschap leiden. Die zijn soms zeer boeiend. Ik zag haar laatste twee voorstellingen: Sartre zegt sorry, waarmee ze een groter publiek bereikte, en haar nieuwste voorstelling: Wat nodig is.

Die eerste voorstelling was een openbaring voor mij. Ik zag een nieuw genre: een vrouw die met een minimum aan handeling en een maximum aan tekst moeiteloos een zaal anderhalf uur in haar ban houdt (samen met een bescheiden tegenspeler). Haar laatste voorstelling haalt dat niveau niet, de teksten verrasten me minder – maar toch blijft haar talent me intrigeren.

Hoewel ik weinig met haar hang naar het boeddhisme heb, bleven in de dagen na de voorstelling bepaalde beelden en zinnen in mijn hoofd echoën. Van Dolron verzet zich tegen nihilisme, voor idealisme is ze niet naïef genoeg, maar ze blijft wel op zoek naar de positieve kanten van het leven – op het gevaar af dat men haar werk soft gaat vinden. Toch is dat niet het goede woord, daar zijn haar teksten vaak ook weer te nuchter voor; ik zou het eerder ‘zachtmoedig’ noemen.

In Wat nodig is vaart ze even uit tegen het kooppubliek in de Kalverstraat. Het staat haar tegen, al die winkelende mensen, je zou er bijna een hekel aan de mensheid van krijgen. Maar dan herinnert ze zich weer haar ‘babyneefje’, een jongetje dat haar uiteindelijk altijd met de realiteit verzoent.

Merkwaardig genoeg moest ik juist aan dat babyneefje denken toen ik een reusachtige man aan het werk zag bij de aanleg van de metro in Amsterdam. Nabij het Centraal Station bestaat nog altijd zo’n gigantische, eeuwige bouwput waaruit elk moment Onze Lieve Heer zelf kan oprijzen met de woedende boodschap: „En nou is het gvd afgelopen!”

De man was in de open ruimte van de gracht, waarlangs voetgangers gehaast liepen en het gemotoriseerde verkeer voortjakkerde, in z’n moederzielige eentje aan het werk. Hij had zichzelf zo’n drie meter boven het water op een betonnen plateautje gehesen, niet groter dan een vierkante meter. Van daaruit moest hij zijn lichaam voorzichtig voorover buigen, zodat hij met een snijbrander een zware buis kon losmaken van zijn verankering.

De laskap die hij droeg was onontbeerlijk, want zijn hoofd was voortdurend omgeven door wolken van vonken. Minstens een half uur stond hij zo in dezelfde houding te werken. Niemand keek naar hem om, afgezien van een werkman op een boot beneden hem. Het was die middag koud en guur. Toen hij klaar was, zich behoedzaam naar beneden liet zakken en zijn kap afdeed, zag ik dat hij diep in de vijftig moest zijn.

Een kilometer verderop begon de Kalverstraat van Laura van Dolron. Die man was even mijn babyneefje.

    • Frits Abrahams