De slavernij was toch niet belangrijk genoeg

De woede van Antillianen en Surinamers over de serie tv-documentaires over De Slavernij is overdreven, maar op het belangrijkste punt hebben ze gelijk.

Wie mag over vrouwen spreken? Zeker geen man.

„Als vrouwen zeggen dat de emancipatie is voltooid, kan dat. Maar als ik het zeg, als wetenschapper, dan worden vrouwen boos”, sprak een jonge onderzoeker.

Wie mag over zwarte slaven spreken? Zeker geen afstammeling van de meesters.

„Als ik had gesproken over krabben en bijten door de slaven in de schepen, dan zou ik worden uitgemaakt voor witte racist”, verzuchtte Gert Oostindie, hoogleraar Caraïbische geschiedenis. Zijn zwarte collega, Leo Balai, had het zomaar gezegd in de documentaireserie De Slavernij, terwijl hij in een nauw ruim van een replica van een achttiende eeuws slavenschip in Ghana zat.

Dat mocht.

Maar in haar geheel mocht de veelbekeken documentaireserie niet, tenminste niet van de helft van de zaal in de Rode Hoed die van creoolse afkomst was. De andere helft, de blanke, de witte of de hoe-noem-je-dat-tegenwoordig, zoals een zwarte aanwezige het beleefd aanduidde, vond de serie prachtig. Bij elke prijzende opmerking voor de serie klapten de hoe-noem-je-dat-tegenwoordigs en hoonden de afstammelingen van de slaven.

En iedereen had zulke goede bedoelingen. De meeste niet-creolen zagen eruit als weldenkende VPRO-leden – middelbaar, goedgeschoold, informeel gekleed. Eindelijk eens een serie over de slavernij die te weinig aandacht krijgt in de vaderlandse geschiedenis. Geweldig dat het nu wel kan, zei presentator Prem Radhakishun. Historici, meestal blank, hadden hun best gedaan om het donkere tijdperk natuurgetrouw te schetsen en de ellende historisch te plaatsen. Maar ook te relativeren. Dat werd niet gepikt.

Al in zijn inleiding van de avond eiste de op Sint Maarten opgegroeide dichter T. Martinus ontslag van Henk den Heijer, hoogleraar zeegeschiedenis. Wat had hij fout gedaan? Hij had het een en ander over verkrachting gezegd. Onder meer dat hij zich niet kon voorstellen dat de gouverneur van het achttiende-eeuwse slavernijfort in Ghana vrouwen aanwees tussen de binnengekomen slaven die dan werden gewassen, opdat hij hen kon verkrachten. Waarom zou die gouverneur het zo doen?, had Den Heijer zich op de televisie afgevraagd. „Hij kon ook een relatie beginnen met vrouwen uit het naburige dorp.” Hij vond dat die verhalen van toeristengidsen in het oude fort werden overdreven: „zwarte emotionaliteit tegenover witte wetenschap”. Na deze tactloze opmerking ontplofte het creoolse deel van de zaal.

Wie vertrouwt witte historici? Volgens Oostindie kon uit scheepsarchieven worden afgeleid dat twaalf miljoen slaven werden getransporteerd. Antilliaans historica Patricia Gomes wist zeker dat het een veelvoud was, al was daar geen bron voor. De geschreven bronnen zouden „wit”, zijn dus eenzijdig. Moet je de rest er dan bij verzinnen?

Sommigen eisten excuses van de Nederlandse regering. Er waren eisen tot schadevergoeding voor de slavernij, kansloos.

Toch hadden veel aanwezige creolen gelijk. De vijfdelige serie heeft pakkende beelden en mondelinge overlevering door slavernijliedjes, maar het verhaal wordt omlijst door moderne ‘slaven’, uitgebuit in tuinderijen of restaurants, hier of op buitenlandse koffieplantages. Onvergelijkbaar met schepen vol geketende slaven die, als ze het overleefden, generaties lang in de West gevangen werden houden. Daar werden ze voor altijd herkend als het slavenras. Zo’n onderwerp kan niet worden ‘ingekaderd’ (volgens eindredacteur Carla Boos) in een pleidooi voor correct koffie drinken. De Holocaust kan ook niet worden ondergebracht bij slachtingen in Syrië.

Het leven van creolen na de afschaffing van de slavernij in 1863 kwam wel aan bod maar te fragmentarisch. Ik miste een systematische historische lijn. Er was wel ruimte voor uitgebuite Oost-Europeanen. Kennelijk was zwarte slavernij als zelfstandig onderwerp voor de makers toch niet interessant genoeg. Maar wie ben ik om dat te mogen zeggen?

    • Maarten Huygen