De heiland van het verkeersknooppunt

Willem Frederik Hermans: Gedichten. Volledige werken 9. De Bezige Bij, 320 blz. € 29,90

Volgens Willem Frederik Hermans (1921-1995) is er aan hem geen groot dichter verloren gegaan. Hij begon met het schrijven van gedichten in 1938, en hij hield er rond 1948 ook al weer mee op. Daarna volgden er nog wat nadruppelingen, tot 1954. Het leverde een dichterlijk oeuvre op van zo’n 135 gedichten. Al heel gauw begon hij zich daarvoor te schamen. In 1953 schreef hij aan Ad den Besten dat hij de titel van zijn eerste bundel niet meer durfde te noemen: ‘een titel zo afschuwelijk dat ik het hier niet zal overschrijven.’ Het ging om Kussen door een rag van woorden, uit 1944. De gedichten daaruit noemde hij smalend ‘liedekens’.

Ook de meeste verzen uit zijn tweede bundel, Horror Coeli, waren toen voor hem al ‘absoluut taboe en mogen nooit worden herdrukt’. Nog weer later, in de jaren zestig, toen het ging over een eventuele uitgave van zijn verzamelde gedichten, was hij nog niet van gedachten veranderd. Hij kon zijn gedichten ‘niet meer pruimen’. En als hij ze nu eens ging verbeteren, voor zover mogelijk, en de andere weglaten? ‘Er blijven er dan misschien twee of drie over.’ En hoeveel exemplaren zouden er dan van gedrukt moeten worden? ‘Een oplage van 25 stuks zou wel het maximum wezen.’ Het is altijd leuk om een dichter zichzelf te zien afbranden – en dan in één moeite door ook maar meteen alle (Nederlandse) poëzie. Hermans, in 1982: ‘Ik ben overigens van mening dat het verzen schrijven maar helemaal moet worden afgeschaft. Een mensenleeftijd is niet voldoende om alle goede verzen die [buiten Nederland] geschreven zijn, te lezen.’

Hier zouden we het dan, voor wat de bespreking van Hermans’ poëzie betreft, wel bij kunnen laten. Zijn gebundelde gedichten zijn nu opgenomen in het negende deel van zijn Volledige werken. Alle verspreid gepubliceerde gedichten zullen later worden opgenomen in een deel Overig werk. Maar nu dit deel hier voor mij ligt, sla ik het toch maar eens open. Ik zie in het begin wat kwezelige regels. ‘In een niet meer weten dat voorbijgaat / langs d’ellenden d’onaantastbre zon / en dat alles ophoudt wat begon.’ In hetzelfde romantische idioom zien we de verliefde jonge dichter eenzaam in zijn kamer, omdat zijn meisje niet is gekomen. Hij had de afspraak wel onthouden, ‘maar jij, jij onthield het niet’. Hij staart maar wat naar het tapijt, en ziet er ‘bruine en roode kwadraten / op den rechthoek van het karpet’. Dat is dan toch wel weer origineel gezegd: die vierkanten (kwadraten) naast die rechthoek. In het gedicht ernaast zucht de verliefde dichter weer verder: ‘Kon ik maar in den avond wandlen gaan.’ Maar hij durft niet, omdat hij bang is dat zijn meisje dan juist tijdens zijn afwezigheid langs zou komen. Problemen!

In Horror Coeli (1946) en Hypnodrome (1948) vinden we daarnaast veel hardere en strakkere verzen, meer in de geest van het surrealisme. ‘Straattoneel’ is een voorbeeld van die vermenging van realiteit en droom. Een paard wil de brug niet op en wordt door de voerlui afgeranseld. Ze slaan het dier ‘met ijzren buizen galmend op de rug.’ Een moeder rent de straat op, ‘een mes vliegt als een noodkreet uit een raam’. Er rijdt opeens een priester voorbij, op een fiets. Even later, op het kruispunt, lijkt hij met zijn armen wel trekken van de Heiland aan te nemen – of is hij een verkeersagent? In de surrealistische taferelen speelt ook altijd de erotiek mee. Een koorddanser ziet onder zich ‘het plein als een zwangre buik gewelfd, / in ’t midden een rotonde als een navel.’

De meeste gedichten van Hermans bevinden zich tussen deze twee uitersten: sentiment en surrealisme. Achteraf zei hij zelf dat hij het gevoel had dat zijn gedichten ‘niet door mijzelf geschreven zijn, maar door een door mij verzonnen romanfiguur’. Ze zijn vaak te langdradig en te opsommerig. Te veel droomsfeer en visioen. Weinig conclusie, weinig clou. Ik werd af en toe getroffen door een raak beeld. Of door een rake regel: ‘Wij gaan ’s nachts met een zaklantaarn op een zonnewijzer / kijken hoe laat het is.’ En af en toe door een raak gedicht. Zoals ‘Dood der ouders van Karel R.’ Langzaam zal hun huis stil en leeg en doods worden. ‘De gemeente staakt de melodie / van ’t buizennet.’ De klokken zullen nog wel een tijdje blijven tikken en blijven slaan, maar steeds minder, ‘voor louter niemand’. De klokken zullen ‘den tijd steeds stroever door het zwijgen wrikken (...) / en dan stil gaan staan / als honden, achter slot alleengebleven’. Wilt u nog weten wat Hermans er in 1953 van vond? Het was een sonnet, en moest alleen daarom al verworpen worden. ‘Een misstap.’ Het mocht nooit meer herdrukt worden. ‘Streng verboden.’

    • Guus Middag