'De dood is een meteoor'

Connie Palmen schreef een boek over de rouw na de dood van haar man, Hans van Mierlo, met wie ze ruim elf jaar samen was. „Iedere schrijver die de dood van een geliefde meemaakt moet daarover schrijven.”

Connie Palmen, amsterdam op 3-11-2011, katrijn van giel katrijn van giel

e vindt het niet fijn om te praten over haar Logboek van een onbarmhartig jaar. Connie Palmen zegt het halverwege het vraaggesprek. Waarom heeft ze dan niet, zoals na het verschijnen van I.M., drie jaar na de dood van haar eerste grote liefde, Ischa Meijer, gezegd: Ik doe het niet, die interviews?

Eerst weet ze geen antwoord, maar dan: „Het is alsof ik er niet over nagedacht heb of dit boek zich wel leent voor interviews. Ik ben nog niet helemaal normaal, eigenlijk. En ik doe het voor mijn uitgever. Je wilt een boek niet de wereld insturen zonder enige vorm van publiciteit.”

De rouw om haar op 11 maart 2010 overleden man Hans van Mierlo, die Connie Palmen beschrijft in Een onbarmhartig jaar, is niet voorbij. Ze kan, zegt ze, bijvoorbeeld nog geen romans lezen. De verbeelding van anderen is haar te veel. ‘Rouwkost’, dat wel. Het jaar van magisch denken van Joan Didion, over het verlies van haar man. Of Tonio, van A.F.Th. van der Heijden, over zijn zoon. Nu heeft ze daar haar ‘elegie van het gemis’ aan toegevoegd. Dat was geen keuze. „Iedere schrijver die de dood van een geliefde meemaakt moet daarover schrijven.”

Palmen ontvangt in het huis aan de Amsterdamse Herengracht, dat van Van Mierlo was. Drie maanden na zijn dood gaf ze haar eigen woning aan de Prinsengracht op. „Postuum samenwonen”, noemt ze dat. „Het voelt nu als mijn huis, met mijn kunst aan de muur, maar ook nog als Hans’ huis, en dat vind ik prettig.” Op de vensterbank staan foto’s van haar en Van Mierlo, op de schoorsteenmantel een zwart-wit portret van de politicus met ernaast het eerste deel van zijn memoires, Het kind en ik. „Een beetje een altaar. Ik steek er ook kaarsjes aan.”

U schrijft dat u pas 9 maanden na zijn dood weer iemand wordt ‘met wie ik het de komende tijd moet doen’. Hoe is dat nu?

„Dat gevoel wordt sterker. Dit is het dan, dit is er over. Hier moet ik het mee doen. Hier zal ik het mee doen. En ik krijg ruimte voor dankbaarheid. Wat heb ik veel gekregen en kunnen geven. Ik weiger te zeggen: Waarom is mij dit aangedaan?”

Wat mist u het meest?

„Zijn lichaam. Mijn eigen lichaam went er maar niet aan dat hij er niet meer is. Ongelooflijk en ergerlijk. Je moet je lichaam steeds toespreken: Hij komt niet meer, hou op met dat gejakker. Dom ding.”

U schreef een logboek, niet een roman. Waarom?

„Ik had geen roman kunnen schrijven. Niet toen, niet nu. Voor een roman moet je grotere afstand creëren tussen jezelf en je onderwerp. Het werd een logboek omdat ik niet een literaire doelstelling had, maar een existentiële. Dat klinkt hoogdravend maar zo is het wel. Ik heb dit geschreven vanuit een razernij tegen het vergeten. Vergeten is een vorm van verlies. Alles wat je je niet herinnert, heb je niet meegemaakt. Het is evident dat dat vergeten in functie staat van de evolutie, anders zou je nooit meer aan een nieuwe liefde beginnen. Een truc van de natuur. Als ik nu het eerste deel herlees, merk ik hoezeer dat al is weggezakt in mijn geheugen.”

U wil de natuur een loer draaien?

„Ja, dat is wat literatuur vermag.”

Is het ook bedoeld als troost voor anderen?

„Dat was mijn eerste impuls, niet zozeer troost maar erkenning: dit bestaat, de omvang is groot, maar het is te overleven, hoe onwaarschijnlijk ook.”

Hielp schrijven bij het verwerken?

„Ik weet niet hoe het zou zijn geweest als ik het niet had gedaan, wel dat het aanvankelijk volstrekt niet hielp. Dat is het jammerlijke aan rouw, er is die eerste maanden niets wat helpt. Het is ook het deficit van de troost. Je kunt er alleen maar doorheen getrokken worden. Door vrienden, door tegen heug en meug te eten, door verstrooiing in de avonden, door alcohol.”

U worstelt met het logboek, schrijft: ‘Ik denk dat ik het niet ga halen.’ ‘Schrijven kun je het niet noemen.’ ‘Dit schrijven verveelt me.’

„Stinkvervelend. Die ambivalentie heb ik de eerste maanden niet kunnen elimineren. Ik had geen leidraad, zoals bij een roman. Dat veranderde pas op het moment dat ik laat zien: Ik ga dit genre niet gehoorzamen, ik ga ook de tijd een loer draaien. In vorm wil ik zichtbaar maken wat ik in werkelijkheid onderging. Dat de tijd zich vouwde over de verleden tijd, alsof de maanden tegen elkaar geplakt zaten. Alsof december februari werd en maart april.”

Er sluipt ook poëzie in.

„Ja? Lees voor, ik hoop dat ik daar gelukkig van word.”

U schrijft: ‘Dat ik zonder hem onthanst ben, zeg ik.’ ‘Niet alleen hij is dood, mijn liefste ik is ook dood’. ‘Je bent aangemeerd bij je eigen onmacht’. ‘Zijn zoon, de man met zoveel vader in zijn gezicht.’ ‘Het heden kiert van het niet en het nooit meer.’

„Maar zo praat ik gewoon! Dat is de eloquentie van mijn dagelijks taalgebruik.”

Schaamte speelt een belangrijke rol in het logboek van Palmen. Schaamte als ze voor het eerst na weken weer over straat gaat. „Ik ben bespottelijk alleen.” En bij zijn familie: „Ik ben niet-Hans. Ik ben niet-lievelingsbroer.” Naast de schaamte van iemand die overgebleven is van een liefdespaar, beschrijft ze de schaamte voor een verdwenen zelf, voor het schrijven zonder leidraad, voor haar verwoesting. Genadeloos noteert ze de gevolgen van te veel drinken, bijvoorbeeld op de begrafenis van musicus Willem Breuker, waar ze aanwezigen lastig valt met vileine opmerkingen. De dag erna krijgt ze een briefje van zijn weduwe Olga Zuiderhoek, die zegt dat Palmen haar uit haar verdriet heeft gejaagd.

Die passage benam me als lezer de adem van plaatsvervangende schaamte.

„Het is ook verschrikkelijk. Maar als je zo schaamtegevoelig bent als ik moeten er dingen zijn waar je je diepdiep over schaamt en die moet je beschrijven.”

Hoe moeilijk is het over schaamte te schrijven?

„Zodra ik schrijf ben ik schaamteloos. Dus het is moeiteloos.”

In rouwliteratuur worden twee elementen onderschat, schrijft u, de schaamte en het seksuele verlangen.

„Ik heb zo veel gelezen, op zoek naar steun en erkenning, maar die hunkering, het fysieke verlangen, en de schaamte worden niet beschreven. Soms kan dat reden genoeg zijn om te publiceren, omdat het er nog niet was.”

Iedere schrijver moet schrijven over de dood zodra die op zijn weg komt, stelt u. Hoezo?

„De dood is een meteoor die een krater slaat in alles waar je mee bezig bent. Over die krater moet een brug geslagen worden voor je weer kunt nadenken over thema’s die je normaal interesseren. Al die boeken die je nog zou schrijven zullen anders worden. Maar dit boek moet er wel tussen zitten. Het is je transitie naar een ander leven. Als je die niet maakt, kun je net zo goed ophouden. Dan ben je een schrijver van niets.”

Over zijn kroniek van de rouw, Tonio, zegt Van der Heijden nu dat hij rancune voelt. Het verandert niets aan de dood en het is een fremdkörper in zijn oeuvre. Kunt u zich dat voorstellen?

„Ik las dat toen ik nog bezig was met het logboek en schrok er erg van. Tonio is een indrukwekkend boek waarvan ik me kan voorstellen dat het hem als schrijver angst heeft aangejaagd, want het is de roman die hij nooit had willen schrijven. Maar zoals Adri misschien met spijt zegt: het is een fremdkörper in mijn oeuvre; het is wel een noodzakelijk fremdkörper. Dat geldt ook voor Schaduwkind van Frans Thomése, Gestameld liedboek van Erwin Mortier, Vondels Constantijntje, treurgedichten.”

Wat vindt de familie van Van Mierlo van uw boek?

„Dat zou je aan hen moeten vragen. Ze waren in elk geval erg geroerd. En ze leggen me niets in de weg om het te publiceren.”

Had Van Mierlo niet gezegd: schrijf niet over mij?

„Dat was anders, hij zei: ‘Ik geloof dat ik dat toch niet zo leuk zou vinden, een boek als I.M.’ Dat was toen we elkaar net kenden, daar is wel verandering in gekomen.”

Wat is het grootste compliment dat dit boek kan krijgen?

„Na elke roman droom ik van koppen met op zijn minst het woord ‘meesterwerk’. Nu niet. Met een roman streef ik een kunstzinnig doel na, wil ik dat die met kop en schouders uitsteekt boven al het andere. Dit boek moet iets toevoegen aan de rouwliteratuur. Ik schreef het met mijn laatste artistieke trots, uit godweet welke kelder gehaald.”

De recensie van Logboek van een onbarmhartig jaar staat op p. 10.