Brieven over Koolhaas

De architectuur op zichzelf maakt een stad niet leuker

In hun blinde woede verwijten Thierry Baudet en Bastiaan Rijpkema architect Rem Koolhaas van alles, onder meer de „sociale ellende, culturele kaalslag en droefenis” in het centrum van Rotterdam (Opinie & Debat, 5 november). Weten zij wel dat veel mensen zich juist boos maken dat Koolhaas bijna niets heeft gebouwd in zijn thuisbasis Rotterdam?

Afgezien hiervan dichten Baudet en Rijpkema de architectuur een te grote macht toe, door een rechtstreeks verband te leggen tussen de modernistische opzet van het Rotterdamse centrum en het feit dat daar ’s avonds „alleen de MediaMarkt” open is. Eind jaren zestig van de vorige eeuw kreeg het modernistische centrum van Rotterdam ook de schuld van het gebrek aan levendigheid in de stad. Dit leidde in de jaren zeventig en begin jaren tachtig tot allerlei kleinschalige toevoegingen aan het modernistische stramien. Hierdoor is het centrum een slordige lappendeken van allerlei architectonische en stedenbouwkundige opvattingen. Architectuur die is gebaseerd op „menselijkheidsfetisjisme”, zoals Koolhaas het noemt, bleek evenmin een garantie te zijn voor een bruisend uitgaansleven.

Een ander voorbeeld van modernisme dat niets dan ellende zou hebben veroorzaakt, is de Bijlmer. Toch is het Rotterdamse Ommoord, een wijk die volgens dezelfde principes en in dezelfde jaren als de Bijlmer is opgezet, een zeer geliefde woonplek onder Rotterdammers.

Architectuur kan veel, maar ze kan niet bewerkstelligen dat een plek leuker of fijner wordt. Dat doen de mensen die ervan gebruikmaken. Rem Koolhaas is overigens een architect die zich hiervan zeer bewust is.

dr. Patricia van Ulzen

Auteur van Dromen van een metropool. De creatieve klasse van Rotterdam, 1970-2000 (Uitgeverij 010).

Lijnbaan is een dieptepunt

Modernistische architectuur leidt tot het wegtrekken van bewoners en het uitblijven van bestedingen. In 1960 telde Rotterdam nog bijna 730.000 inwoners. In 2011 zijn het er minder dan 600.000.

Slechts 30.000 zielen bevolken het centrum. Kantoorhuren en woningprijzen liggen ver beneden het gemiddelde van de andere drie grote steden. Van de verheffende werking van de modernistische architectuur is in de economische ontwikkeling weinig te merken.

Het is begonnen met de aartsmodernist ir. C. van Traa. Hij werd in 1945 stadsbouwmeester. Zijn voorganger, stadsbouwmeester ir. W. G. Witteveen, had in 1941 een heel ander wederopbouwplan in petto. Wie goed kijkt, ziet dat het Meentgebied – van Witteveen – het enige kwartier in het herbouwde centrum is dat echt leeft.

Hiertegenover staat het dieptepunt van het modernisme – het Lijnbaankwartier, van Van Traa. Bij architecten is de Lijnbaan een icoon, omdat het het eerste overdekte winkelgebied ter wereld was. Rotterdammers, blijkt uit onderzoek naar winkelgedrag, vertoeven hier het liefst zo kort mogelijk en besteden hier dus weinig. Het spreekwoordelijke kanon dat na zessen op de Lijnbaan kan worden afgeschoten, kan het beste worden gericht op die Lijnbaan zelf.

De gemeente zet vruchteloos in op het aantrekken van starters en midden- en hogere inkomens. Krampachtig wordt geprobeerd het centrum de Maas te laten oversteken, hoewel het dit gebied voor dit doel ontbreekt aan inwoners. Kort geleden luidde de Economic Development Board Rotterdam hierover de noodklok. De gemeente doet er goed aan zich te realiseren welke economische gevaren verbonden zijn aan modernistische architectuur.

Wouter Jonkhoff Charles den Hoed

Werkgroep ‘economie, financiën en haven’, D66 Rotterdam