Bang, bezeten, scherp en groots

De armoede in zijn jeugd maakte dat Charles Dickens (1812- 1870) levenslang een zwak hield voor de allerzwaksten. Maar waarom ging hij zo graag naar mortuaria?

Charles Dickens (1812-1870), écrivain anglais. Caricature par Gill. L'Eclipse, juin 1868. RVB-09309 Roger-Viollet

Claire Tomalin: Charles Dickens. A Life. Penguin/Viking, 526 blz. €31,-

Robert Douglas-Fairhurst: Becoming Dickens. The Invention of a Novelist. The Belknap Press, 389 blz. €27,-

Volgend jaar is het tweehonderd jaar geleden dat Charles Dickens werd geboren. De nieuwe biografie van Claire Tomalin, die bekend staat als een van Engelands beste biografen, moet die gelegenheid luister bijzetten. In haar fascinerende studie The Invisible Woman (1991) over Dickens behendig weggemoffelde relatie met de actrice Nelly Ternan, kwam ze dicht bij de getourmenteerde man zelf.

Helaas: misschien omdat de verwachtingen zo hoog gespannen waren, misschien omdat er de afgelopen jaren al zoveel biografieën van Dickens zijn verschenen, feit is dat Tomalins Dickens ernstig tegenvalt. Anders dan andere moderne biografen, zoals Peter Ackroyd, die dieper tot Dickens probeerden door te dringen door vrijuit met de vorm te experimenteren, vertelt Tomalin een rechttoe-rechtaan verhaal, zo nu en dan op het plichtmatige af.

Dat verhaal kennen we nu wel: het jongetje dat gedwongen wordt zijn scholing af te breken, omdat zijn nonchalante vader wegens schulden in gevangenis belandt; het jaar dat hij etiketten op flesjes schoenpoets moet plakken; zijn tijd als hulp op een advocatenkantoor en als gewiekst parlementair verslaggever, en van daaruit zijn razendsnelle ontwikkeling van chroniqueur van het leven in Londen tot ’s werelds beroemdste romancier.

Tomalin observeert de persoon Dickens met scherpe blik. Ze laat zien dat de armoede waarin Dickens opgroeide, en die bij hem een levenslange empathie met de allerzwaksten opwekte, relatief was: zijn gekwetstheid kwam eerder voort uit het plotseling afbreken van een veelbelovende toekomst, dan uit werkelijke ontberingen; een pijn die versterkt werd door het feit dat voor zijn zuster Fanny, die muziek mocht studeren, wel geld werd vrijgemaakt.

Tomalin heeft oog voor de theatraliteit van al het werk van Dickens, en schroomt niet aan te wijzen waar zelfs zijn meest populaire romans melodramatische passages bevatten. Ze stelt dat Dickens niet in staat was om geloofwaardige vrouwen te scheppen; zijn ‘engelen’ zijn niet overtuigend en hoeveel ‘gevallen’ vrouwen hij door zijn liefdadigheidswerk ook in zijn leven leerde kennen, in zijn romans beklagen ze hun lot als slechte actrices.

Propvol

Zulke pregnante observaties blijven kanttekeningen; Tomalins boek is vooral een strak vertelde kroniek van Dickens’ leven. Dat leven was, zoals bekend, propvol. Dickens zette zichzelf voortdurend met de rug tegen de muur; hij was altijd overwerkt. Hij bracht een obsessieve regelmaat in zijn leven aan, maar balanceerde door eigen toedoen steeds op de rand van het debacle.

Tomalin volgt hem op de voet, maar er wordt weinig verder verkend of uitgediept. Waarom werkte hij zich dood? Waarom had hij zo’n fascinatie voor de lichamen van de doden (op reis nam hij altijd even een kijkje in het plaatselijke mortuarium)? Waarom dweepte hij met de vroeg gestorven zuster van zijn vrouw Catherine? Hoe verhield hij zich tot de grote Europese schrijvers die hij, toen hij beroemd was, tijdens zijn reizen ontmoette? Tomalin laat het allemaal passeren. Misschien wil ze niet psychologiseren. Misschien had ze gewoon haast.

Becoming Dickens van Douglas-Fairhurst is ambitieuzer; deze biograaf concentreert zich op de wortels van Dickens’ schrijverschap. Hij diept uit wat Tomalin aanstipt: dat zijn kinderjaren op de rand van de armoede Dickens een aanhoudende fascinatie met de zelfkant bezorgden. Des te harder hij eraan probeerde te ontsnappen door manisch hard te werken, des te meer hij zich ertoe aangetrokken voelde.

Vloeibaar

Ik vermoed dat er voor hem ook iets geruststellends vanuit ging, te midden van de verliezers hoefde hij zichzelf niet te bewijzen. In het door hem zo geliefde theater, dat hij als jonge ambitieuze Londenaar zo vaak bezocht, zag hij hoe vloeibaar de maatschappelijke orde was, hoe gemakkelijk het was om buiten de maatschappelijke orde terecht te komen. Op de gezichten van de doden in het mortuarium moet hij de rust gezien hebben van mensen die niet langer hoefden te vechten om te overleven.

Hoe groot zijn roem ook was, Dickens bleef tot aan zijn dood in 1870 een outsider. Er was iets in hem dat dat ook wilde. Er zijn talloze getuigenissen over zijn opzichtige kleren en zijn vulgaire gedrag. Zijn kracht, schrijft Douglas-Fairhurst, is dat hij zijn eigen angsten en obsessies zowel op een tragische als komische manier kon beschrijven. In David Copperfield, zijn meest autobiografische roman, en in Great Expectations, zijn meesterwerk, toont hij zich een groot genoeg schrijver om zijn eigen onzekerheid over zijn sociale positie met ironie te beschrijven.

In Becoming Dickens zie je hoe de romancier Dickens geboren werd. De anonieme, scherpe observator van het Londense leven, die onder het pseudoniem ‘Boz’ publiceerde, moest het genre van de roman als het ware veroveren. Aanvankelijk waren het zijn spontane personages die hem steeds weer van het verhaal afleidden. Op de schetsen van Boz, volgden de losse vertellingen over Mr Pickwick. Naarmate de romans van Dickens persoonlijker werden en zijn diepste gevoelens reflecteerden, zoals zijn latere romans Bleak House, Our Mutual Friend en Great Expectations, werden ze ook strakker van vorm. Zijn laatste, onafgemaakte roman, The Mystery of Edwin Drood, is een misdaadroman met een ingenieuze intrige.

De figuur van Dickens, de outsider die de ziel van het Victoriaanse tijdperk verbeeldde, blijft fascineren. Becoming Dickens, dat zo nu en dan aan over-interpretatie lijdt, komt dichter bij hem in buurt dan de biografie van Tomalin. Maar er zijn nu wel genoeg boeken over Dickens’ leven geschreven. Het is, zeker in Nederland, waar hij nauwelijks meer lijkt te bestaan, weer tijd voor zijn werk.

    • Bas Heijne