Aan mij de weemoed en de huivering

Connie Palmen, amsterdam op 3-11-2011, katrijn van giel katrijn van giel

Connie Palmen: Logboek van een onbarmhartig jaar. Prometheus, 240 blz. €19,90

In 1999, bijna vier jaar na de dood van Ischa Meijer, die toen haar geliefde was, begon schrijfster Connie Palmen (1955) een relatie met de oprichter van D66 en oud-minister van Buitenlandse Zaken Hans van Mierlo. Ze scheelden 24 jaar, hij was niet gezond, moest een levertransplantatie ondergaan en waarschuwde haar dat hun liefde misschien niet lang kon duren. Zou de hypersensitieve, zich extreem afhankelijk voelende schrijfster het overleven als ze voor een tweede maal weduwe werd? Na Meijers overlijden schreef ze de autobiografische roman I.M. waarin ze het uitschreeuwde van de pijn over het gemis van haar geliefde zonder wie ze niet verder kon. Tot Van Mierlo in haar leven kwam. Ze werden intens gelukkig. Toen ze 11 jaar en 11 dagen samen waren, trouwden ze op 11-11-2009, hij 78 jaar oud, zij 54. Vier maanden later, op 11 maart 2010, stierf hij.

Het getal elf speelt een prominente rol in Logboek van een onbarmhartig jaar, waarin Connie Palmen beschrijft hoe zij voor de tweede keer haar man verloor, maar ook diens zus Doll, zijn dochter Marieke en allerlei beroemheden die tot hun gemeenschappelijke vriendenkring behoorden zoals Jan Blokker, Harry Mulisch en musicus Willem Breuker. Al dit sterven wordt door Palmen geboekstaafd en van commentaar voorzien. Haar fascinatie met de dood neemt tegelijkertijd een vorm van projectie aan, waarbij haar eigen betekenis voor de geliefde doden centraal komt te staan.

Op 6 augustus 2010 noteert ze dat Olga Zuiderhoek, de kersverse weduwe van Willem Breuker, vindt ‘dat ik na de begrafenis van Willem te veel heb gedronken, dat ik heb gehuild, om de nek van mensen hing, lalde, vileine opmerkingen maakte, mijn zin doordreef, en haar daardoor uit haar eigen verdriet heb verjaagd’. Het is dapper van Palmen – zij spaart zichzelf niet – dat zij hiermee een voor de hand liggende kritiek op Logboek van een onbarmhartig jaar zelf naar voren brengt. Zij eist Van Mierlo en zijn nagedachtenis in dit rouwverslag volledig voor zichzelf op. Dat er buiten haar (en zijn naaste familie) misschien nog meer mensen waren van wie hij hield en die verdrietig zijn om zijn dood, maakt niet uit. De lezer moet weten hoe groot en uniek de liefde van Van Mierlo voor Palmen is geweest. Zo drukt ze een bladzijden lange speech af die hij hield ter gelegenheid van haar vijftigste verjaardag. Zij leeft in de herinnering aan hun prachtige huwelijksdag. Het lijkt een rituele bezwering van de dood als zij in haar hoofd onophoudelijk zijn liefdesverklaring herhaalt: ‘Je mag nooit vergeten dat ik niet eerder zoveel van een vrouw gehouden heb als van jou, dat met jou trouwen het mooiste is wat ik ooit heb gedaan en dat de afgelopen elf jaar de gelukkigste jaren van mijn leven zijn geweest.’

Is dit narcisme, of verregaand egoïsme? Of is het een memento mori dat zich – zoals Huizinga over de laatmiddeleeuwse cultuur schreef – om het sterven weeft: het doodsbeeld als besef van vergankelijkheid van alle aardse heerlijkheid, ‘de huiverende aanschouwing der verrotting van wat eenmaal menselijke schoonheid was’. De weemoed en de huivering reserveert Palmen voor zichzelf. Daarin verschilt dit boek van rouwboeken als Taal zonder mij van Hemmerechts, Schaduwkind van Thomése en Tonio van Van der Heijden die door Palmen allemaal worden genoemd, maar die geen plaats krijgen in haar beklag, dat louter zelfbeklag blijft. Het is niet vergezocht de publicatie van een boek als dit te typeren als exploitatie van intiem kapitaal. Maar het is niet de intimiteit die de moderne lezer stoort, het is eerder een gebrek aan intimiteit waar de sluier van het ritueel overheen wordt gelegd.

Deze ritualisering van het persoonlijke komt ook tot uiting in Palmens taalgebruik, dat eerder banaal dan verheven is; het is de taal van e-mails en kattebelletjes, verslagen en nieuwsberichten, geen proza dat ontroert of dat je binnenvoert in het gemoed van een ander. Integendeel, je voelt je buitengesloten, tenzij je je kunt verplaatsen in gedachten als deze: ‘Door van mij zijn vrouw te maken, eeuwig eigendom, trok hij me de onvergankelijkheid van de familie in.’ Of: ‘Ik trek mijn trouwjurk aan om hem te gaan begraven. Tegen de tijd dat de auto’s voorrijden en ik op de Herengracht de deur uit ga, ga ik als een bruid.’

Het logboek eindigt op 11 september 2011 met de aantekening dat de pijn die de herinneringen aan de laatste weken van haar man veroorzaakte vaak te groot was, waardoor ze die herinneringen heel snel heeft moeten noteren. Het valt op dat juist deze passages, over de stervende Van Mierlo, die tot het einde charmant en waardig geïnteresseerd bleef in zijn omgeving, behoren tot de sterkste van dit in tranen gedrenkte geschrift.

Voor een interview met Connie Palmen zie pp. 8-9

    • Elsbeth Etty