Vechten tegen het scheetkussen

De nieuwe voorstelling van Theo Maassen, Met alle respect, is voorlopig niet toegankelijk voor de pers. Portret van de Eindhovense cabaretier die zelf zijn regels bepaalt.

Amsterdam 14 Oktober 2010 Theo Maassen. ©Mark van der Zouw www.markvanderzouw.com info@markvanderzouw.com ©Mark van der Zouw/Hollandse >

Wat is macht voor een kunstenaar, een artiest? Dat is de mogelijkheid zelf te bepalen hoe een kunstwerk, een voorstelling eruitziet, zelf te bepalen ook hoe dat werk vervolgens onder de aandacht wordt gebracht. Dat heet dan met een mooi woord artistieke autonomie. In die zin is Theo Maassen een machtig man. Na een carrière die zowat twintig jaar omspant, heeft Maassen eigenlijk niemand meer nodig, en zeker niet de pers. Hij kan het zich veroorloven zijn voorstelling Met alle respect als try-out door het land te laten gaan, en zelf te bepalen wanneer die show goed genoeg is om in het reguliere schouwburgprogramma te worden opgenomen. Ondertussen speelt hij evengoed voor uitverkochte zalen; van theater De Schalm in Veldhoven tot Bellevue in Amsterdam. Op een enkele glimp op Twitter na – ‘Vanavond naar Theo Maassen. Zin in!’ – blijft het voorlopig de vraag hoe Maassen uitpakt in Met alle respect.

Wie bij Maassen de regels overtreedt, weet dat hem of haar dat duur kan komen te staan. Zo was er de keer dat Maassen zijn hand in de broek stopte van een vrouw die te laat de zaal binnenkwam, wat hem een veroordeling wegens ‘onzedelijke betasting’ opleverde. En hij smeet de camera stuk van een fotografe die tegen de afspraak in toch foto’s maakte – een afspraak waar ze achteraf niet van op de hoogte bleek gesteld. Radicaal is Maassen in de verdediging van zijn territorium – zijn eigen gemeenschap. En soms lijkt het cabaretiers gegeven daar eigen rechter te spelen. Maar dan moeten ze wel de zaal mee hebben. Collega Micha Wertheim kan daarover meepraten. Hij dacht tijdens een voorstelling in Roermond dat een man in een rolstoel zat te sms’en. Daarom richtte hij een aantal grappen over gehandicapten nadrukkelijk tot de man. Andere toeschouwers liepen kwaad weg. En achteraf bleek dat het flikkerende lichtje niet van een telefoon, maar van de display van het gehandicaptenwagentje afkomstig was.

Lange slungel

Zijn eerste avondvullende voorstelling, Bepaalde dingen, speelde Theo Maassen in 1993. Zevenentwintig was hij toen, een lange, beetje slungelachtige jongen. Hij brak door met een Brabants ‘typetje’ – hoewel hijzelf eigenlijk ‘import’ is, want hij werd geboren in Oegstgeest en bracht korte tijd met zijn familie in Duitsland door.

Maar zo staat Maassen in onze collectieve herinnering aan de jaren negentig gegrift: gezeten op een krat Bavaria, met gespreide benen, lurkend aan een pijpje bier. Zijn allereerste woorden luiden: „Za’k es wa zeggen? Eindooovuh, das de mooiste stad van de weereld.” Na een tirade over Amsterdam („Het enige goede dat uit Amsterdam komt, dat is de trein naar Eindhoven”) richt deze ‘Fransje van Dusschoten van de emballage’ zijn woede op een brave houder van een schouwburgabonnement. De brildragende jongen die een biertje weigert, krijgt het voor de kaken: „Bende gij een mietje of wa? Hedde gij op de Havo gezeten soms? Professeur, Willie Wortel, verrekte homofiel!” Een decennium later zouden hoog opgeleide sociologen spreken van de hernieuwde klassenstrijd tussen de kosmopolitische wereldburgers en nationaal georiënteerde lageropgeleiden. Maassen daarover in een volgende voorstelling: „Mijn vriendin is hoogopgeleid, ik ben snel afgeleid.”

In Bepaalde dingen incasseerde Maassen nog de lach met expliciet racistische, en daarom ironisch te duiden grappen. Waaraan ‘Fransje’ dan toevoegde: „Ik discrimineer niet – ik constateer alleen de FEIT-EN!” In zijn tweede voorstelling, Neuk het systeem, zit een grap over Hans Janmaat, de leraar maatschappijleer die zo „racistisch” was dat als je een proefwerk „blanco” inleverde je alsnog een goed cijfer kreeg.

Amper tien jaar later, nadat Bolkestein De Islam in de polder (1997) had gepubliceerd en Pim Fortuyn op hetzelfde aambeeld gretig had doorgehamerd tot zijn voortijdige dood, is de publieke opinie omgeslagen. Zeker als Theo van Gogh in 2004 vermoord wordt. In Tegen beter weten in (2005) constateert Maassen – politiek correct op dat moment – dat het niet „zo lekker loopt met de multiculturele samenleving”, en oogst hij applaus voor de grap dat het woord imam („Ieeemaaam, iemaaam”) klinkt als een „geit die in de kont wordt geneukt”. Waarop de opmerking volgt dat de kans statistisch klein is dat er „nog een Theo” wordt vermoord.

In Zonder pardon (2008) komt Maassen daar in zekere zin op terug – wat alles te maken heeft met de Venlose cabaretier, en generatiegenoot Geert Wilders die de Tweede Kamer als podium gebruikt voor zijn extreme geestigheden, zoals zijn befaamde sketch tijdens de Algemene Beschouwingen van 2009 waarin hij het kabinet vergeleek met een auto die vast is komen te zitten in het mulle zand, omdat het „ideologische tomtommetje” als sinds „de sixties op linksaf” zou staan. In Zonder pardon komt Maassen tot een duidelijke stellingname tegen Wilders. Eerst nog maakt hij omtrekkende bewegingen, waarbij hij eerst de gangbare kritiek (de nazivergelijking) onderuit haalt, om vervolgens met een gerichte grap het demonisatietopos aan te snijden: „Waar is Volkert van der G. als je hem nodig hebt? In de sport heet dat: te vroeg gepiekt.” Waarna Maassen zich in een uiterst extreem-rechts kamp plaatst. Hij wil namelijk verder gaan dan een boerkaverbod, want: „Als ik met een vrouw praat, vind ik het prettig als ik haar kut zie.”

Geblondeerde stand-upper

Maar met grappen alleen versla je de geblondeerde stand-upper uit de Tweede Kamer niet; de lach is tenslotte niet meer dan een afweermechanisme; dat is de „tragiek van de komiek”, zoals Freek de Jonge dat ooit stelde. Men moet een alternatief bieden, een politieke visie, een moraal. En dus spreekt Maassen zich expliciet uit voor de komst van arbeidsmigranten, die we hard nodig zullen hebben om in de toekomst ervan verzekerd te zijn dat ook „onze billen in het bejaardentehuis gewassen zullen worden”, waaraan hij de grol toevoegt: „Bruine mensen zijn daar heel geschikt voor.” Meteen gevolgd door de uitspraak, zonder nu de naam van Theo van Gogh uit te spreken, dat het toch bij nader inzien behoorlijk liefdeloos is om een bevolkingsgroep die toch al onderaan bungelt ‘geitenneukers’ te noemen, waarop hij, Maassen dus, door zijn knieën gaat, zijn handen vouwt en als in gebed prevelt dat de reden dat we evolutionair gezien niet verder komen is dat we de vijand altijd buiten onszelf zoeken. Want, zo stelt hij: wijzelf zijn eigenlijk de geitenneukers. Welk ander land dan Nederland is wereldwijd de grootste producent van dierenporno?

Blijft de vraag: hoe ziet Maassens nieuwe voorstelling eruit? Eén ding is zeker: de kans is miniem dat er typetjes in zitten. Sinds Functioneel naakt (2002), en sinds Maassen als acteur aan de slag ging, is het daar niet meer van gekomen. Maar zonder sketches en typetjes een avondvullend verhaal vertellen, dat is lastig, zeker tegenover een publiek dat gekomen is om zich op de dijen te kletsen. De cabaretier is zich daar zeer scherp van bewust. In Tegen beter weten in (2006) wijdde Maassen een deel van de voorstelling aan de dood van zijn vader en moeder. Dat deed hij al zittend op een scheetkussen; hij verweet zijn publiek nog net niet de aandachtsspanne van een kleuter te hebben.

Als machtig artiest moet Theo Maassen dus wel degelijk blijven vechten om aandacht. Namelijk tegen de onuitgesproken verwachtingen van een avondje entertainment: doe nou maar weer eens gek, dan ben je leuk genoeg.

Theo Maassen: ‘Met alle respect’. Tournee t/m 15 juni. Inl: www.theomaassen.nl

    • Daniël Rovers