Vaste prik

Met grotere hartstocht dan ooit tevoren begaf ik me deze week naar de huisarts om mijn jaarlijkse griepprik te incasseren. Ik leek wel een aan de naald verslaafde junk. En ik bleek niet de enige.

„Nooit heb ik het op de eerste dag zó druk gehad als nu”, zei de mevrouw die ik elk jaar maar één keer zie, op de dag in november als zij namens de huisarts die goddelijke spuit in mijn linkerbovenarm moet jenzen. „De wachtkamer zit steeds vol, ik heb nauwelijks tijd gehad voor een boterham.”

Moeizaam probeerde ze de voor mij bedoelde naald uit zijn stugge verpakking te bevrijden. „Die krengen worden elk jaar anders verpakt en het kost je een paar uur voor je eraan gewend bent”, zuchtte ze.

Maar toen was het toch zover. Ik voelde de naald door mijn huid prikken en sloot gelukzalig de ogen. Wow! Hier deed ik het voor, het geluk kon mij voorlopig niet meer in de steek laten, het griepvirus zou weer een jaar tevergeefs op mijn deur kloppen. Ja, het is dát vooruitzicht dat mij en al die andere mensen zo verslaafd maakte.

Hadden wij dan niet al die felle discussies over het nut van de griepprik gevolgd? Natuurlijk hadden wij dat. Wij lazen het maandblad Geneesmiddelenbulletin dat schreef dat er geen bewijs is voor de effectiviteit van de griepprik bij ouderen. Wij hoorden de beschuldiging van de huisarts Hans van der Linde dat Roel Coutinho als griepoloog zijn belangen zou hebben verstrengeld met die van de farmaceutische industrie.

Maar wij besloten er ons geen bliksem van aan te trekken en stelden ons als één man achter Roel op, ook toen hij Van der Linde voor de rechter daagde. Waarom – wat maakte ons zo gretig?

Deze column moet hier een zeer persoonlijke wending nemen. Ik ga voor mezelf spreken, daar is een column ook voor.

Ik schrijf nu voor het veertiende jaar deze rubriek en al die jaren ben ik maar één keer écht ziek geweest: het eerste jaar, een weekje lang. Ik had voor het eerst van mijn leven griep. Griepprikken had ik altijd overbodig gevonden, je liet je toch ook niet inenten tegen een lopende neus?

Steeds had ik gedacht dat griep een deftig woord voor een ordinaire verkoudheid was, maar griep is veel meer, griep is een moker die op je kop blijft dreunen tot je als een ziek hondje in je bed ligt te rillen. Het leven is opeens een stuk onbelangrijker geworden.

„Schrijf jij die column maar”, fluisterde ik tegen mijn vrouw. Maar de tweede feministische golf was nog niet helemaal ten einde, en dus vroeg ze geld, te veel geld. Ik was te murw om te onderhandelen en had nog net kracht genoeg om naar de telefoon te schuifelen (er was er toen nog maar één in de meeste huizen) en mijn eindredacteur te alarmeren. Die zei, nogal chagrijnig, alleen maar: „Ik weet wel een paar collega’s die je rubriek graag van je overnemen. Misschien tot ziens.”

Het kon me niets schelen. Ik regelde naast mijn bed een voorziening die door mijn moeder destijds een spuugteiltje werd genoemd, deed het licht uit, trok de lakens over mijn hoofd en nam voorlopig afscheid („Misschien tot ziens”) van de wereld.

Sinds die tijd neem ik elk jaar trouw mijn griepprik. Mijn enige vaste prik. Ik heb nog wel eens griepverschijnselen gehad, maar nooit meer ‘de griep’. Fluitend hielp ik mezelf door de winter, terwijl om me heen de mensen bij bosjes ten prooi vielen aan griepen uit de verste windstreken. Mij kon niets gebeuren, nou ja, op dit gebied.