‘Oog en oor voor onverhoedse taaljuweeltjes’

In de poëzie van de Nederlandse dichter en schrijver Tonnus Oosterhoff is het muzikale aspect essentieel. In zijn nieuwe bundel Leegte lacht dansen klankpatroon en ritme met elkaar.

Leegte lacht is de titel van de zesde dichtbundel van Tonnus Oosterhoff. Wie aan die titel betekenis wil geven, doet er goed aan eerst het motto van de bundel te lezen. Dat motto verwijst naar een uitspraak van het VVD-kamerlid René Leegte, in het dagblad Trouw. Naar aanleiding van de kernramp in Japan vraagt de krant hem ‘Kunnen ook vrachtwagens die op transport zijn met radioactief afval heftige overstromingen aan?’ De geïnterviewde heeft niet echt een antwoord. ‘Leegte lacht: Dat wordt een beetje sciencefiction.’

Oosterhoff is een dichter die bij uitstek oog en oor heeft voor dit soort onverhoedse taaljuweeltjes. In een ‘geschreven gesprek’ met Rutger Kopland stelde hij in 1998 dat het zonneklaar is dat hij nogal vastgebakken zit aan wat hij ‘afwijking in uitdrukkingswijze’ noemt. Ambtelijke volzinnen als ‘We hebben simpelweg de nodige tijd nodig gehad om tot uitkering van de uitkeringen te komen’ waren en zijn nog altijd poëtische grondstof voor Oosterhoff. Daarmee gaat hij dan associatieve verbindingen aan, zoals hij dat in Leegte lacht doet met wettelijke bepalingen in het gedicht ‘Witte blues’.

Dit artikel werd gepubliceerd in NRC Handelsblad op Vrijdag 4 november 2011, pagina 10 - 11. U kunt het hele artikel hier lezen.

    • Arie van den Berg