Ontwikkelingslanden zijn vooral gebaat bij werk, werk en nog eens werk

Staatssecretaris Knapen (Buitenlandse Zaken, CDA) heeft besloten driehonderd miljoen euro subsidiegeld ter beschikking te stellen aan het Nederlandse bedrijfsleven om hun activiteiten in ontwikkelingslanden te financieren. Hoewel Knapen duidelijk aanzegt dat dit geld bedoeld is om ontwikkeling op gang te brengen en niet om omzet en rendement van het Nederlandse bedrijfsleven te spekken, heb ik nog niet kunnen ontdekken hoe hij die doelstelling gaat meten. De indicatoren en beoordelingscriteria voor die ontwikkelingsrelevantie zijn niet te vinden.

Daarnaast is het frappant dat het nieuwe ontwikkelingsbeleid van Knapen even buiten haakjes wordt gezet. Hij heeft wel strak ingezet op een reductie tot vijftien landen en vier centrale thema’s, maar nu even niet. Bij de eerste gelegenheid dat de staatssecretaris zijn oproep tot focus en concentratie van inspanningen inhoud kan geven, wordt die oproep ingeslikt.

Dat is jammer, want ik ben overtuigd van het belang van het bedrijfsleven voor ontwikkelingssamenwerking. Er is voor ontwikkelingslanden nauwelijks een grotere uitdaging dan het creëren van werk, werk en nog eens werk (en dus inkomen). Alleen ondernemerschap kan dat realiseren.

Maar juist omdat het belang zo groot is, kunnen we niet tevreden zijn met losjes inzetten van geld voor het stimuleren van bedrijvigheid. In het kader van ontwikkelingssamenwerking mag toch minstens de vraag gesteld worden of het echt bijdraagt aan een beter bestaan van mensen aan de onderkant van de samenleving. En of we dat ook ergens aan kunnen zien en meten.

Hoe je dat doet? Ontwikkelingsorganisaties hebben daar ruime ervaring in.

René Grotenhuis

Algemeen directeur Cordaid

    • René Grotenhuis
    • Algemeen Directeur Cordaid