Mooier dan de natuur zelf

De National Gallery in Londen wil Leonardo da Vinci nu eens niet als uitvinder en wetenschapper portretteren maar als schilder.

oil on panel 43 x 31 cm

Als je goed kijkt, zie je hoe groot de verschillen zijn. Terwijl de twee taferelen toch op het eerste gezicht identiek zijn: in het midden knielt Maria, die haar handen beschermend uitstrekt naar Jezus en Johannes de Doper – beiden als kleuter – rechts zit een engel, en dat alles tegen de achtergrond van een rotslandschap. Maar op het ene schilderij zie je warme kleuren: olijfgroen, goudgeel, hier en daar wat rood. Op het andere domineert het felblauw, van de jurk van Maria en van het meertje op de achtergrond. Is het door die kleur dat het laatste schilderij afstandelijker lijkt? Of is het omdat er bij nader inzien toch iets in de compositie is veranderd. De engel die je op het eerste schilderij schalks aankijkt en wijst naar Johannes, en je daarmee als kijker bij het geheel betrekt, heeft op het tweede schilderij die arm ingetrokken en kijkt weg. Alles is ook wat monumentaler en perfecter op het tweede schilderij. Perfecter dan de natuur zelf. Van de huid van Maria tot en met de bloemen aan toe, die zijn samengesteld uit het mooiste van verschillende soorten tot een niet bestaande bloemenpracht.

Twee keer schilderde Leonardo da Vinci (1425-1519) het altaarstuk Maagd op de Rotsen. De eerste versie maakte hij tussen 1483 en 1485. Maar omdat hij die niet aan de oorspronkelijke opdrachtgevers afleverde, na een ruzie over geld, moest hij een tweede exemplaar maken, dat hij met tussenpozen tussen 1491 en 1508 voltooide. Het is uniek dat de twee schilderijen nu in één ruimte te zien zijn. Zelfs Leonardo zag ze waarschijnlijk nooit samen. Dat ze zijn samengebracht geeft je de gelegenheid ze eindeloos te vergelijken (iets waar Leonardo zelf veel van hield) en zijn ontwikkeling als schilder op zoek naar de grootst mogelijke schoonheid te bestuderen.

De nieuwste versie van Maagd op de Rotsen is van de National Gallery in Londen en is pas gerestaureerd; de mist die was ontstaan door de vernis, is eraf gehaald. Bij het begin van die restauratie werd het idee geboren om de oudste versie, die gewoonlijk in het Louvre hangt, te leen te vragen. En zo begon vijf jaar geleden de voorbereiding van de tentoonstelling Leonardo da Vinci, schilder aan het hof van Milaan, die gisteren opende. De expositie beslaat de periode van 1480 tot 1499, toen Leonardo werkte voor de Milanese hertog Ludovico Sforza. Alle overgebleven schilderijen uit die tijd zijn naar Londen gehaald, ook die waarvan niet helemaal zeker is dat Leonardo ze maakte.

Historische expositie

In de Britse media wordt al maanden uitgekeken naar de „historische expositie” en de publieke belangstelling is groot: tot half december is de voorverkoop uitverkocht. Al die opwinding is terecht. De rustig ingerichte expositie laat overtuigend zien wat een groots kunstenaar Leonardo was. Die zo knap schilderde, dat je denkt dat je de karakters van de geportretteerden kunt zien. Kijk maar naar die musicus, dat is een dromer, dat zie je zo. En zelfs zijn schijnbaar haastige schetsen zitten vol emotie. De bezorgde vertedering van de moeder voor haar kind, lees je in haar ogen.

Als bezoeker word je heerlijk serieus genomen. Je mag zelf beoordelen of het schilderij Madonna Litta een echte Leonardo is of toch van de hand van zijn leerling Giovanni Antonio Boltraffio. Om dat te kunnen beoordelen hangen links van het schilderij tekeningen van Leonardo. Van baby’s met net zulke spartelende papbeentjes als die van Jezus op schoot van Maria. En van het mooi gelijkmatige vrouwengezicht, met precies dezelfde houding en blik als de Madonna Litta. Maar rechts hangt dan weer een fijne tekening van Boltraffio, van een geplooide jurk die sprekend op die van Maria lijkt. Het doet er ook niet toe. Dat Leonardo er de hand in had, is wel zeker.

Bij de twijfelschilderijen hoort ook het dit jaar aan Leonardo toegeschreven Salvator Mundi. Dit werk, olieverf op paneel, stelt Christus voor met een kristallen globe in zijn linkerhand. Zijn gezicht is wat vervaagd, door verkeerde schoonmaaktechniek, maar de globe is intact en nog altijd wonderbaarlijk doorzichtig. In die tijd kon kristal helemaal niet zo worden geslepen, dus ook hier overtrof Leonardo de werkelijkheid. Toch zijn niet alle experts overtuigd dat dit door hem is gemaakt.

De National Gallery bracht negen van Leonardo’s schilderijen bij elkaar. Ongekend veel, als je bedenkt dat er maar vijftien over zijn, van het twintigtal dat hij ooit maakte. Hij was dan ook geen fulltime schilder, maar tevens architect, musicus, wetenschapper, beeldhouwer, uitvinder en organisator van hoffeesten. Behalve die schilderijen laat de National Gallery zo’n vijftig tekeningen te zien, voor een groot deel afkomstig van de Britse koningin. Met een zorgvuldig combinatie van tekeningen, vaak studies, met schilderijen geeft de expositie een goed beeld hoe Leonardo werkte. Hoe hij zocht naar de juiste uitdrukkingen en gebaren, waarmee hij zoveel mogelijk wilde vertellen hoe iemand was. Hij streefde ernaar niet alleen het uiterlijk van mensen te schilderen, maar ook hun innerlijk. En dat laatste werd volgens hem uitgedrukt in houding. Veelzeggend zijn de studies die hij maakte van de handen van apostelen, ter voorbereiding op Het Laatste Avondmaal. De slanke handen met verstrengelde vingers van Johannes, die bekend stond als zachtaardig en vroom. En een botte knuist die een zak geld omknelt (verradersloon) van Judas.

Favoriete maîtresse

Perfectie wilde Leonardo tonen. Perfecte schoonheid of perfecte lelijkheid. Over de lelijkheid straks meer, eerst de schoonheid. Die zie je vooral in de drie portretten op de expositie. Als eerste is er De Musicus, het enige portret dat hij maakte van een man, rond 1486. Dit schilderij van een jongeman met fijn gelaat was destijds al bijzonder, omdat het brak met de gewoonte personen en profil af te beelden. Leonardo koos voor een lossere houding: de musicus is deels naar de kijker gedraaid. Hoe revolutionair dat was, kun je zien door de vergelijking met traditionele profielportretten die ook tentoongesteld zijn. Terwijl die laatste er stijfjes uitzien, lijkt het wel alsof Leonardo’s musicus op het punt staat wat te gaan zeggen. Of zingen? In zijn hand houdt hij een blad muziek. Zijn kleding is grover geschilderd dan de rest; dit schilderij is nooit voltooid.

Nog levendiger zijn de twee vrouwenportretten, die in de volgende ruimte te zien zijn. Ook zij hebben hun bovenlichaam deels gedraaid, maar ze kijken zelf de andere kant op, waardoor ze nog losser lijken. De Dame met de hermelijn, uit 1489, is een portret van de zestien-jarige Cecilia Gallerani, de favoriete maîtresse van hertog Ludovico, beroemd om haar schoonheid. Ze lijkt te luisteren naar iemand die net buiten beeld staat. Van haar elegant gekromde hand, die een groter dan levensechte hermelijn vasthoudt die een pure ziel symboliseert, is ook een studie te zien. Duidelijk zie je daarop dat haar vingers langer zijn gemaakt dan normaal om ze extra elegantie te geven. Het tweede vrouwenportret, La Belle Ferronnière, gemaakt rond 1493, verbeeldt mogelijk de echtgenote van Ludovico. Het is nog geïdealiseerder dan de dame met hermelijn: haar gezicht is glad als na een facelift en perfect ovaal. Leonardo gebruikte hiervoor ideale geometrische afmetingen om een schoonheid te scheppen die verder ging dan die van de natuur.

Het portret waarmee Leonardo de meeste roem kreeg, de Mona Lisa, is niet in Londen. Het is niet eens geprobeerd, volgens de curator van de expositie „rent de staf van het Louvre nog liever naakt rond dan dat ze de Mona Lisa in bruikleen geven”. Strikt genomen hoort de Mona Lisa, gemaakt in 1503-1506 in Florence, ook niet op de tentoonstelling. Ook Het Laatste Avondmaal, wel uit de Milanese periode, ontbreekt omdat het is gemaakt op een muur in het klooster Santa Maria delle Grazie en dus niet kan reizen. Op de expositie hangt een acht meter grote, bijna eigentijdse kopie (1520) van Leonardo’s leerling Giampietrino. Hij domineert de laatste zaal, te midden van voorstudies van de apostelen. Op die schetsen zijn expressieve gezichten te zien. De een kijkt geschokt, de ander is gemeen en grotesk. Die laatste is een studie voor Judas, de man met het verraderlijke karakter. Het vinden van een lelijke uitdrukking voor Judas zou Leonardo even veel moeite hebben gekost als het zoeken naar de ultieme schoonheid. Hij zou in de tronies van criminelen gezocht hebben naar het gelaat dat het best bij hem paste.

Die fascinatie voor lelijkheid blijkt vooral uit de tekening van een man die wordt gezakkenrold door vier engerds die hem omringen. Eén heeft het hoofd achterovergegooid en lacht hysterisch, een ander heeft een vooruitstekende onderkin, diepliggende ogen en enkele stompjes tand. Ze steken slecht af bij het slachtoffer, een man met zachte ogen en een krans van eikenbladeren rond zijn hoofd. Het is geen directe studie voor Het Laatste Avondmaal maar toont wel dat de schilder zich in die periode verdiepte in het verband tussen innerlijke en uiterlijke lelijkheid.

In deze laatste zaal ligt nog een ander soort studie: een van de boekjes waarin Leonardo in zijn typische spiegelschrift aantekeningen maakte. Op de twee geëxposeerde pagina’s beschrijft hij de uitdrukking van de deelnemers aan een diner, waar iemand, die hij ‘de spreker’ noemt, iets aan het vertellen is. Terwijl de een zijn schouders tot aan zijn oren optrekt, schrijft Leonardo, en zijn mond openspert, stoot een ander een glas water om. Het boekje met zijn priegelletters, dat in een aparte vitrine is uitgestald, is ontroerend.

Alsof je met deze handgeschreven woorden, hier en daar verduidelijkt met een tekeningetje, nog het dichtst komt bij Leonardo’s voorbereidingen om de werkelijkheid te overtreffen.

Leonardo da Vinci. Painter at the Court of Milan. T/m 5 febr in de National Gallery, Londen. Inl: nationalgallery.org.uk