Het volk spreekt

Het moet een jaar of veertien geleden zijn geweest dat er in Vrij Nederland een interview stond met Jan Blokker, Henk Hofland en Harry Mulisch, alle drie in 1927 geboren. Een van hen zei – ik weet niet meer wie – dat zij tot de laatste generatie behoorden die de oorlog nog had meegemaakt. Onzin. Er waren toen nog de nodige tachtigers en negentigers.

Terwijl het trio de oorlog grotendeels als schooljongen had doorgemaakt, was ikzelf in de meidagen van 1940 al soldaat (geen schot gelost) en bracht ik de meeste oorlogsjaren door als jonge echtgenoot en jonge vader die uit de handen van de Duitsers probeerde te blijven en zijn gezin door de hongerwinter moest zien te slepen. Niet heroïsch, maar je leerde wel verantwoordelijk te zijn voor anderen.

Het drietal, waarvan Blokker en Mulisch intussen dood zijn, dook weer op in de column van Elsbeth Etty van 1 november, waarin zij het proefschrift van Chris van der Heijden, Dat nooit weer, afkraakt. Hij rangschikt hen blijkbaar onder de ‘linkse kerk’, evenals W.L. Brugsma (ook dood) en Cees Nooteboom.

Nu, dat verraste mij. Zeker, Mulisch was een salonsocialist en tot het bittere einde apologeet van Fidel Castro en zijn vervolging van dissidenten. Maar Hofland? Die koketteerde in de jaren ’60 eerder met de VVD van Harm van Riel en Haya van Someren-Downer. Blokker stak de draak met linkse onzin. Brugsma heb ik gekend als bewonderaar van De Gaulle. En dat Nooteboom tot de ‘linkse kerk’ behoorde, was ook nieuw voor mij.

Ik weet niet of Van der Heijden Etty zelf ook guilty by association verklaart. Ze was per slot van rekening in de jaren ’70 lid van de communistische partij en redacteur van De Waarheid. Daar heeft zij spoedig na haar afval rekenschap over afgelegd, dus dat zal ik haar niet nahouden – al beken ik dat, wanneer ik haar fulminaties tegen Wilders lees, wel eens denk: zou je gezien je herroepen verleden niet ook een beetje minder stellig kunnen zijn, een beetje meer ruimte voor twijfel laten? Maar ja, tot het katholicisme bekeerden (heb je die overigens nog?) plegen ook tot de strengste katholieken te behoren.

Ze is natuurlijk in haar volle recht tegen Wilders te fulmineren. Ook ik houd zijn ideeën voor gevaarlijk en vind het een staatsrechtelijk monstrum dat het kabinet zich in gijzeling laat nemen door iemand die macht zonder verantwoordelijkheid uitoefent, wat de Britse premier Baldwin in 1931 „het prerogatief van een hoer” noemde (hij had het over de press lords, voorgangers van Murdoch).

Maar ik vraag mij af of het enige zin heeft Wilders voortdurend aan te vallen. Zijn aanhang en potentiële aanhang bekeer je er niet mee, zo de aanvallen niet zelfs contraproductief zijn. Ze bevestigen voor hen het bestaan van een ‘linkse kerk’. Ik wil Etty, die zelf een prachtig proefschrift heeft geschreven, niet verdenken van lonken naar applaus van geestverwanten, onder het motto ‘Ben ik eigenlijk wel links genoeg?’ (titel van een boekje van Jan Blokker).

Intussen blijft het fenomeen-Wilders vooral voor de linkse partijen een bijna existentieel probleem. De sociaal-democraten en communisten hebben altijd gewedijverd in de pretentie de arbeidersklasse te vertegenwoordigen en hebben machtig bijgedragen tot de emancipatie van die klasse. Die is zo’n succes geworden dat die klasse niet meer bestaat, sterker: in drommen naar Wilders is overgelopen. De SP kan zich nog wel in demagogie met hem meten, maar de PvdA – zeker onder Job Cohen – niet.

Het zijn evenwel niet alleen de linkse partijen die zich in een bijna tragische positie bevinden. Als straks de PVV de grootste partij wordt, wat helemaal niet denkbeeldig is, dan heeft de democratie zichzelf de nek omgedraaid – althans de democratie zoals wij haar tot dusver gekend hebben.

Vergelijkingen met het fascisme zijn onhistorisch (en schrikken trouwens toch niet af), maar we moeten niet vergeten dat in de democratische Weimarrepubliek Hitlers partij de grootste was voordat hij, op legale wijze, aan de macht kwam. Anders dan militaire dictators als Franco en Pinochet, hadden Hitler en Mussolini massale aanhang. Het volk sprak ook door hen.

Hoe heeft het in Nederland zo ver kunnen komen? Draagt het linkse klimaat sinds de jaren 60 / 70, waartegen haast niemand zich durfde te verzetten, toch een deel van de verantwoordelijkheid? Heeft het uitblijven van een partij die open voor conservatieve waarden uitkomt, fataal gewerkt? Zelfonderzoek is nodig, en dat is moeilijker dan onderzoek.

Aan het eind van haar column vraagt Etty of de door Van der Heijden verguisde persoonlijkheden niet verkieslijker waren als moreel kompas dan naoorlogse KVP-politici als Tweede Kamervoorzitter Kortenhorst en premier De Quay, die „tonnen boter op hun hoofd hadden”. Ocharm, De Quay ook al? Ja, hij behoorde in de eerste bezettingsjaren tot het driemanschap dat leiding gaf aan de Nederlandse Unie, die een tegenwicht tegen de NSB wilde bieden. Die Unie had binnen korte tijd een miljoen leden. Hadden die allemaal boter op het hoofd?