Heldere taal

Het zal begin jaren zestig geweest zijn dat ik in het archief van een omroep een filmpje zag waarop minister-president Hendrik Colijn de grote vaderlandse held Jan Pieterszoon Coen herdacht. Het was in een kerk in Hoorn, waar Coen in 1587 is geboren. Hij is een grondlegger van ons koloniale rijk, heeft de Britten uit de Molukken verjaagd, de bevolking van de Banda-eilanden praktisch uitgeroeid en was er voorstander van dat de bevolking van de archipel langzamerhand zou verhollandsen, of hollandiseren, zouden we nu misschien zeggen. Colijn had als militair in Indië gediend en was er bestuursambtenaar geworden. Tussen Coen en Colijn bestond een historische band.

Met diepe verbazing heb ik naar dit filmpje gekeken en vooral geluisterd. Onze antirevolutionaire staatsman had een zware stem, sprak langzaam, was zich diep van het historisch ogenblik bewust, had zijn woordkeus en intonatie aangepast, en zo werd dit een redevoering van ronkende volzinnen in foutloos Nederlands. Een stem uit de kerker van een ver verleden. Niet te geloven.

In de jaren zestig was onze moedertaal al snel aan het veranderen, informeler geworden, met nieuwe uitdrukkingen die intussen ook al tientallen jaren geleden reddeloos verouderd zijn, weet je wel. Maar dat een minister-president, toen nauwelijks dertig jaar geleden, zich op zo’n manier kon uitdrukken, en dat dit normaal werd gevonden, dat was voor mij een ervaring van taalkundige archeologie. Intussen is er een conflict ontstaan over de historische verdiensten van Coen. We erkennen dat er onder zijn bewind flink gemoord is. Zijn standbeeld hoeft niet weg, maar de tekst op de sokkel moet worden aangepast.

De taal blijft veranderen, en steeds sneller. Niets aan te doen. Ik denk dat de verandering van het onderwijs op de lagere school en de explosieve groei van de digitale communicatie samen de belangrijkste oorzaak zijn. De oude deftigheid en datgene wat vroeger Algemeen Beschaafd Nederlands werd genoemd, verdwijnen. Van Dale, het groot woordenboek der Nederlandse taal, is allang niet meer de bron waaruit de modernste mens zijn absolute taalkundige wijsheid put. We werken op onze laptop en bij twijfel raadplegen we de spellingcorrector. Ik ken iemand die zich als een geletterd mens beschouwt en denkt dat het oude woordenboek De Dikke van Daele heet.

In deze krant van 7 november staan twee bijdragen over de taal. Veel lezers beklagen zich over de grote hoeveelheid taalfouten. Ewoud Sanders is het er niet mee eens. Af en toe kunnen er een paar doorheen glippen, maar „ach, zolang een artikel inhoudelijk voldoende niveau heeft, kan ik me er niet echt druk om maken”. Ewoud, zo begint het, zo raak je op het hellend vlak.

Ja, de taal verandert, onophoudelijk. Als premier Rutte nu een toespraak zou houden zoals Colijn dat bijna driekwart eeuw geleden heeft gedaan, waren zijn dagen als staatsman waarschijnlijk geteld. Maar taal is ook de uitdrukking van het denken, en „wie zich niet helder uitdrukt, heeft niet helder gedacht”, zei Johan Andreas Dèr Mouw. Wie is dat nou weer!