Hamvraag: waarom keldert de euro niet?

Het taboe is er af. Het opbreken, uiteenvallen, oplossen of welk einde dan ook voor de muntunie, is op de financiële markten niet langer onbespreekbaar.

Rentes van zwakke landen lopen snel op, de beurskoersen staan onder druk. Maar één verschijnsel ontbreekt: de euro zelf geeft eigenlijk geen krimp. Dat is opmerkelijk voor de munt waar het tenslotte allemaal om draait. Gisteren was een dramatische dag voor de euro, nu de besmetting Italië stevig in zijn greep leek te krijgen. Dat is niet minder dan een existentiële crisis. De euro verzwakte inderdaad van 1,377 dollar per euro naar 1,36. Maar dat is slechts een procent.

De Europese munt staat daarmee nog steeds ruim 14 procent boven de koers tegenover de dollar van 1,17 waarmee hij in 1999 begon. Sinds die tijd verzwakte de euro eerst naar onder de 85 dollarcent per euro in 2001, en steeg vervolgens huizenhoog tot tegen de 1,60 in 2008 – tijdens de zwartste dagen van de kredietcrisis. Als de munt nu op opbreken zou staan, waarom staat hij dan op de zeer gezonde koers van 1,36?

Daar zijn twee redenen voor aan te wijzen. Als eerste de competitie. Dicht bij huis heeft het Verenigd Koninkrijk er alles aan gedaan om het pond te verzwakken, en dat is ook gelukt. De Zwitsers, die de koers van hun frank steil omhoog zagen gaan door de eurocrisis, kondigden in september praktisch een moratorium af op de valutahandel en zwoeren hun munt op zijn plaats te houden „met alle middelen”. Zij waren het zat dat hun munt als het ventiel voor de spanningen in de eurozone fungeerde.

Japan deed ruim een maand later hetzelfde met zijn yen, die naar recordhoogte was gestegen. Zuid-Korea intervenieert in de wisselkoers. China zit intussen met een kruipende koppeling vast aan de Amerikaanse dollar. Die dollarkoppeling gaat op voor een groot aantal munten, waaronder bijvoorbeeld die van de olielanden.

De enige speelruimte voor de koers van de euro komt zo dus van de dollar. De economie en de schuldpositie van de VS staan er net als die van Europa niet best voor. Als de geschiedenis een leidraad is, zouden de Amerikanen de dollar het liefst fors laten dalen tegenover de euro, zoals dat in 1995 met de politiek van ‘welwillende verwaarlozing’ (benign neglect) en in 2008 het geval was.

Er is voor de euro dus eigenlijk vrijwel geen munt om tegen te dalen. De huidige constellatie is in wezen een vage echo van het beleid van concurrerende devaluaties van de jaren dertig, maar dan verstild in een tableau vivant.

Dit klinkt allemaal best logisch. Maar er is een alternatief antwoord op de vraag waarom de euro niet al lang is gekelderd. Want wat is het uiteindelijke lot van de euro eigenlijk? Stel dat de eurozone met een klap, of martelend langzaam, desintegreert. Dan verlaten zwakke landen de munt, om zelf te kunnen devalueren. Een aparte Duitse munt zou juist sterk stijgen.

Het gaat er dus om wie de euro uiteindelijk erft. Wie de muntunie niet volhoudt, verlaat de eurozone en de euro. Maar Duitsland, dat de muntunie wél volhoudt, verlaat de eurozone niet, maar blijft er in, ook al krimpt deze tot de eigen landsgrenzen.

Het ligt eigenlijk best voor de hand dat de eurozone zich in het uiterste geval terugtrekt tot het territorium van Duitsland en zijn satellieten – in monetair opzicht dan. De Europese munt is, als het allemaal fout loopt, in dat opzicht te beschouwen als een ‘proto-mark’. Een valuta die, eenmaal verlost van zijn zwakke metgezellen, belooft ijzersterk te zijn. Houdt dit vooruitzicht de eurokoers nu in evenwicht? Het zou zomaar kunnen.

Maarten Schinkel