De duivel haalt ons en brengt ons hemelwaarts

In de kunsten schuilt de duivel, daar hebben de religieuze fanaten en andere zedenprekers gewoon gelijk in. Soms letterlijk. Giotto verstopte er eind dertiende eeuw één in een wolk in zijn fresco voor de Basiliek van Assisi en eeuwenlang heeft niemand dat in de gaten gehad. Sta je beneden, dan zie je namelijk gewoon het wolkendek onder de buiken van de engelen die de pas gestorven Franciscus van Assisi de hemel in voeren. Maar of de duivel ermee speelde: een aardbeving schudde in 1997 de basiliek te barsten en de fresco’s moesten gerestaureerd worden. Wat van onderen onzichtbaar was, bleek op ooghoogte onmiskenbaar: daar ligt hij, met zijn hoorntjes en zijn sik, te grijnzen: de duivel. Klaar om de heilige Franciscus op de drempel van de hemel alsnog te grazen te nemen.

Giotto was een kunstenaar en daarvan was hij zich bewust. Zijn fresco’s zijn emotioneel en ze willen je winnen voor de verhalen van de Kerk. Maar ze ademen ook een passie voor het penseel, voor de betovering van vormen en voor de heftigheid van zachte kleuren. Ga naar Padua. Lever je uit aan Giotto’s versie van de kus van Judas voor Jezus (en zo te zien ook vice versa) in de Cappella degli Scrovegni, en je wordt gedrogeerd door een kunstenaar die genoot van de verwarring die hij teweegbracht omdat hij het ijle schilderen beheerste.

Die demon in de wolken, die satanische Judaskus (moet hij er nog van komen of is hij net gewisseld? Die onzekerheid alleen al maakt dit beeld eens zo sterk), ze beduiden voor mij dat de duivel in de hemel hoort. In de hemel van de kunst, waar hij het verschil maakt tussen goed en ijzersterk.

Ik zie het weer in het stuk Miraculous Wednesday van dansgroep Club Guy & Roni. Dat suggereert in een zoet duet vol lievigheid dat een man zijn vrouw grof terroriseert. Ik herken het ook in het dansstuk Trip en masse. Elf leden van Dansgroep Amsterdam dansen als bezetenen. De choreografen (Leuenberger, Martini en Jadkowski) leenden voor hun ballet de heftige bewegingen op voetbaltribunes, bij rellen, in straatgevechten. De duivel openbaart zich in de onophoudelijk opengesperde monden van de dansers. Kwijldraden. Verstarde kaken. Spartelende tongen. Een collectieve stille schreeuw. Na 25 minuten mogen de monden even dicht. Nu worden de smoelwerken vermoeide gezichtjes. Lief, aandoenlijk. Het geluid zwelt weer aan. De monden zakken opnieuw wijd open. De gezichten verkrampen en daar zijn ze weer: de onstuitbare agressievelingen.

Onverwachts laat de duivel van zich horen in V2, het Rotterdamse centrum voor kunst en ‘instabiele media’. Ik zit er bij de première van Them F*cking Robots, de film van Ine Poppe en Sam Nemeth over Norman White. Die grote verlegen man is een peetvader in de wondere wereld van de elektronicakunst, waar men koerst onder Marshall McLuhans motto ‘There are no passengers on Spaceship Earth. We are all crew’. Het is een film vol gezegende gekken, in de weer met machines met menselijke trekjes. Binnenkort te downloaden, wat leuk is, maar wij hebben er hier een show bij met meeslepende machines. Wij zijn voor de gelegenheid met Toronto verbonden en Toronto met ons. Op een groot Skype-scherm zien we elkaar. Er wordt druk heen en weer gezwaaid, terwijl de stoelen aan de kant gaan om ruimte te maken voor de machines.

Via een knijpertje op mijn vinger blubt in een aquarium aan de andere kant van de oceaan mijn hartslag uit een pomp. Ik zie het op een schermpje. De hartslag uit Toronto blubt hier, in het aquarium bij mij. In een boksring bots ik virtueel op een Canadees die zich in Toronto in net zo’n boksring beweegt. Onze omtrekken zijn spoken op een monitor. Raken we elkaar, dan klinkt er muziek.

Norman White zelf is er ook. Hij worstelt met zijn Telephonic Arm-Wrestling, de armpje-druk-machine voor tegenstanders op afstand. White krijgt ’m niet aan de praat. Zijn machines maken hem bewust van zijn eigen menselijke kwetsbaarheid, zegt hij.

„Bij deze kunst hoort dat het vaak niet werkt”, verklaart filmer Sam Nemeth vertederd. Bij hem thuis had White nog met het ding geoefend, vertelt hij. Het deed het niet. En ineens wél.

Bèng!

De stalen arm sloeg dwars door Whites laptop, die ernaast stond.

De duivel toonde zijn klauw.

    • Joyce Roodnat