De aap leeft al 52 miljoen jaar in groepen

Het leven in sociale groepen is bij apen eenmaal ontstaan, 52 miljoen jaar geleden, toen ze van nacht- in dagdieren veranderden. Later kwam de variatie: harems en gezinnen.

Sander Voormolen

Apen maakten 52 miljoen jaar geleden in één keer de stap van solitair leven naar het leven in groepsverband. Dat concluderen Susanne Schultz en haar collega’s van de University of Oxford vandaag in Nature, op basis van een analyse van het sociale gedrag van 217 levende primatensoorten.

De sociale structuur van apengemeenschappen varieert sterk van soort tot soort. Bij gorilla’s domineert bijvoorbeeld de haremstructuur: een groep telt één dominant volwassen mannetje en diverse volwassen vrouwtjes. Bavianen leven juist in een groep waarin veel mannetjes en vrouwtjes naast elkaar leven. En er zijn soorten, waaronder gibbons en mensen, die in familiegroepen leven, waarbij de mannetjes en vrouwtjes een duurzame, vaak monogame verbintenis aangaan.

De vraag was of dat uiteenlopende groepsgedrag onafhankelijk van elkaar is ontstaan, of dat het is geëvolueerd uit éénmaal ontstaan sociaal gedrag. Het antwoord is moeilijk te geven, omdat gedrag nu eenmaal niet in fossielen is terug te vinden. Schultz zette de verschillende sociale structuren van primaten op een evolutionaire stamboom, gebaseerd op genetische verwantschap. Dan blijkt dat de vorming van losse groepsverbanden met zowel mannetjes als vrouwtjes 52 miljoen jaar geleden moet zijn ontstaan bij de apen. Bij de halfapen die zich al eerder hadden afgesplitst ontstond het groepsleven pas 32 miljoen jaar geleden, onder lemuren.

Andere groepsstructuren ontstonden volgens Schultz pas veel later in de evolutie. Bij de aftakking van de slankapen (onder meer franjeapen en langoeren) 16 miljoen jaar geleden ontstond voor het eerst het leven in harems, twee miljoen jaar later gevolgd door de evolutie van haremsystemen bij meerkatachtigen. Het leven in monogame paartjes ontstond volgens Schultz zesmaal, in verschillende apenfamilies. Voor het eerst 16 miljoen jaar geleden (bij de klauwaapjes) en voor het laatst 4,5 miljoen jaar terug (bij de springaapjes).

In een begeleidend commentaar schrijft de Amerikaanse antropologe Joan Silk van de University of California in Los Angeles dat deze uitkomsten „problemen” opleveren voor bestaande ideeën over de evolutie van de sociale structuur van apen. Onder meer de Nederlandse primatologen Carel van Schaik en Liesbeth Sterck stelden eerder dat vooral omgevingsfactoren de sociale organisatie van apengemeenschappen – zoals de beschikbaarheid van voldoende voedsel. Volgens Schultz is dat niet allesbepalend en is er ook een genetische basis voor sociale organisatie.

Sterck vindt niet dat de oude theorie niet op de schop hoeft. „Omgevingsfactoren kunnen nog steeds bepalen hoe groot een groep is”, zegt ze aan de telefoon, „en dat bepaalt hoe complex de groep is en in welke verhouding de dieren tot elkaar leven.”

Volgens Sterck zijn de conclusies van Schultz en Silk ook gekleurd door de vraag wat precies onder een sociale groepsstructuur moet worden verstaan. Sterck meent dat het soort sociale structuur bij apen nog steeds afhankelijk is van de omgeving. Dat gegeven gaat verloren in de ‘grote greep’ van Schultz. Sterck: „Sommige halfapen slapen in grote groepen, maar voedsel zoeken doen ze het liefst alleen. En bavianenpopulaties bestaan in feite uit een heleboel kleine clubjes.”

Sterck, Silk en Schultz vinden elkaar wel in de reden waarom apen 52 miljoen jaar geleden massaal overstapten van solitair leven naar groepsverbanden. Het heeft waarschijnlijk te maken met de overgang van een nachtactieve leefstijl naar het leven overdag.

„Nachtdieren leven het liefst zo onopvallend mogelijk en foerageren daarom bij voorkeur alleen. Overdag hebben dieren er juist baat bij om in groepen te leven, omdat ze dan roofdieren eerder zien aankomen”, aldus Sterck. Alle nu levende apensoorten zijn overgegaan tot het leven in groepen. Alleen onder halfapen zijn er nog solitaire soorten. Sterck: „Dat zijn niet toevallig ook de nachtapen.”

    • Sander Voormolen