'Brus': voor 'broer en zus'

Iemand een idee voor een Nederlands broerzuswoord, een equivalent voor het Duitse Geschwister en het Engelse sibling? Die vraag, een maand geleden op deze pagina, heeft ruim tweehonderd suggesties opgeleverd.

Vooral samenstellingen van ‘broer’ en ‘zus’ zijn populair. Gebroezum, brus, brozus, brussies, zoers, bris, brusling. In sommige gezinnen doen zelfbedachte samenstellingen al jaren de ronde. Kees de Wit uit Eindhoven zegt zes ‘zoesters’ te hebben: twee broers en vier zussen. En Siemon Tuinstra heeft weliswaar een broer en vier zussen, maar voor hem zijn het kortweg ‘brusters’. Het Engelse sibling is een inspiratiebron voor inzenders. Broers en zussen samengevat als sibbels, sibbelingen, sibbers, sibbelaars, siblanten. Andere suggesties: naastkomelingen, zijkinders, gebroedsel en het klinkende neologisme ‘pamaten’ („van dezelfde pa en ma”, schrijft Piet Janssen, „en daarmee ook een soort van maten”). Het woord ‘nestgenoten’ valt ook opvallend vaak, liefst zeven inzendingen.

Absolute winnaar is de samenstelling ‘brus’, meervoud ‘brussen’. Bijna een op de vijf inzenders noemde die term. Simpel, kraakhelder en al jaren jargon onder jeugdhulpverleners en pedagogen. ‘Brus’ of ‘brusje’ als synoniem voor het broertje of zusje van een hulpbehoevend kind. Emeritus hoogleraar kinderpsychiatrie Frits Boer noemt ‘brus’ een „ideale term”, behalve dat er de associatie van pedagogiek aan kleeft. „Er moet iets aan het imago van de term ‘brus’ gebeuren.”

De meest recente Dikke van Dale, uit 2005, noemt ‘brus’ nog niet, maar het woord is wél opgenomen in de elektronische editie, in 2008. Kortom, in de volgende papieren Van Dale (publicatiedatum nog onbekend) staat het woord ‘brus’ hoogstwaarschijnlijk afgedrukt, zegt Van Dale desgevraagd.

Ténzij sibbelaars, zoesters of zijkinders vandaag aan een onstuitbare opmars beginnen.