'Zó pak je een zedenzaak niet aan'

De ouders die betrokken waren bij de ontuchtaffaire in 1987 in Oude Pekela werden bespot. In de zaak van Robert M. ging dat beter, vindt Margalith Kleijwegt.

Zie je wel, het kan wél. Dat dacht journalist Margalith Kleijwegt toen ze zondagavond 12 december 2010 op televisie hoorde dat een crèchemedewerker in Amsterdam tientallen kleine kinderen had misbruikt. Of in ieder geval daarvan werd verdacht. In het Noordoost-Groningse dorp Oude Pekela werden ouders 24 jaar geleden weggehoond toen zij volhielden dat een groot deel van de jonge kinderen er seksueel was misbruikt.

Kleijwegt was die zondagavond in december ook onder de indruk van de daadkracht, maar vooral van het mededogen dat de Amsterdamse burgemeester Van der Laan, politiecommissaris Welten en hoofdofficier Bolhaar uitstraalden. „Die ernstige mannen achter die tafel namen de zaak zo duidelijk serieus.” Was dat soort regie er maar geweest in 1987. Dan waren in Oude Pekela minder mensen beschadigd geraakt, denkt Kleijwegt.

Want dat mensen, vooral betrokken ouders, door de misbruikaffaire in het Groningse dorp voor het leven getekend zijn, is voor haar wel duidelijk. Dit jaar keerde ze terug naar Oude Pekela, waar ze in 1987 als verslaggeefster voor Vrij Nederland naartoe werd gestuurd. Ze schreef er een boekje over: Terug naar Oude Pekela, dat vandaag verschijnt in de jubileumreeks van uitgeverij Balans.

De ontuchtaffaire in Oude Pekela begon in 1987 met één kind dat over seksueel misbruik vertelde. In de dagen erna vertelden steeds meer kinderen dat hun iets was overkomen. En naarmate de tijd verstreek zonder dat er een verdachte werd aangehouden, werden de verhalen steeds gekker. Als clown verklede kinderlokkers zouden de kinderen ritueel hebben misbruikt.

In grote delen van het land werd meewarig naar Oude Pekela gekeken, waar benepen Groningers een massapsychose zouden hebben. De tijdgeest, „het staartje van de seksuele revolutie”, speelde een rol, zegt Kleijwegt. De Groningse ouders werd verweten dat hun angstige fantasieën voortkwamen uit hun eigen seksuele frustraties.

Margalith Kleijwegt zegt dat ze, toen en nu, niet naar Oude Pekela ging om het mysterie op te lossen. „Dat kan ik helemaal niet.” Maar eigenlijk denkt ze wel dat daar iets gebeurd is. Niet met tachtig kinderen, misschien met twintig, al heeft de Amsterdamse zedenzaak duidelijk gemaakt dat alles kan. Maar het gaat haar om iets heel anders: ze begrijpt niet waarom de ouders die vreesden dat er iets gebeurd was, zo werden aangevallen. „Er was geen enkele erkenning voor de angst en de pijn die ze voelden, omdat ze dachten dat ze hun kinderen niet hadden beschermd.” Kleijwegt vindt dat hun „onrecht is aangedaan” door de mensen die hen bespotten.

Wat in ieder geval níét gebeurde in Oude Pekela, is het indammen van de verhalen en fantasieën. „In Amsterdam werd meteen gezegd wat de politie wist. Er werd een foto van de verdachte getoond. Ouders werden geïnformeerd.” In Oude Pekela bespraken juffen in de klas misbruik met de kinderen, de kinderen werden te laat gehoord. „Het werd een olievlek.” Kleijwegt denkt dat een burgemeester als Van der Laan bewoners gecorrigeerd zou hebben als die hun theorieën uitten over clowneske kinderlokkers. „Ik denk dat hij, met respect, tegen ze gezegd zou hebben: en nú even dimmen tot we weten hoe het zit.”

Voor een aantal hoofdrolspelers van toen is de affaire een bepalende gebeurtenis in hun leven geworden, ontdekte Kleijwegt toen ze hen opzocht.

De psychiater Gerrit Mik, die overtuigd raakte dat een deel van de kinderen was misbruikt, stierf vier jaar na de affaire aan een hartaanval. De laatste jaren van zijn leven leed hij aan een depressie, volgens zijn kinderen mede veroorzaakt door de harde kritiek die collega-psychiaters en hoogleraren op zijn onderzoek in Oude Pekela hadden. Hij zou zich hebben laten meezuigen in de wanen van bewoners. Huisarts Fred Jonker, die samen met zijn vrouw – volgens critici overijverig – dossiers van het kindermisbruik samenstelde, pleegde in 2008 zelfmoord. Kleijwegt: „Niet om de affaire. Maar dat hij niet meer serieus werd genomen in zijn beroepsgroep, heeft niet geholpen.”

Niemand in Oude Pekela heeft het nog over de affaire, merkte Kleijwegt. „Velen beschouwen het als een beschamende episode, waarover je maar beter je mond kunt houden.” Met de volwassenen bij wie in hun kindertijd misbruik werd vermoed, lijkt het goed te gaan. Dat verbaast Kleijwegt niet. „Er is nu zoveel angst over de mogelijke effecten van seksueel misbruik bij kinderen. Maar die zijn er niet altijd.”

Zelf had Kleijwegt toen ze zes was een nare ervaring met een buurjongen. „Ik herinner me vooral de nuchtere reactie van mijn moeder. Die ging wel met me naar de huisarts maar ze raakte niet in paniek. Ik heb nooit, op geen enkele manier meer last gehad van die ervaring.”

De Amsterdamse GGD vertelde aan Kleijwegt dat Oude Pekela een voorbeeld is geweest van hoe een zedenzaak níét aangepakt moet worden. In Amsterdam hebben alle betrokken ouders een of meer familierechercheurs toegewezen gekregen met wie ze hun vermoedens en zorgen kunnen bespreken. „Het gaat erom de ouders bij te staan”, zegt Marianne van Staa, die het steunpunt seksueel geweld van de GGD leidt, in het boekje. „Zolang zij het gevoel hebben beschermd te worden, kan het leven thuis zo normaal mogelijk doorgaan. En juist dankzij het gewone, het alledaagse, voelt een kind zich veilig.” Misschien, denkt Kleijwegt, kan het misbruik dan naar de achtergrond verdwijnen.