Smokin' Joe, aartsrivaal van Ali

De eerste wedstrijd tussen Joe Frazier en Muhammad Ali was het Gevecht van de Eeuw.

Qua mediagebeurtenis was het duel net zo groot als de landing op de maan (1969).

In de woonkamer van zijn appartement in Philadelphia hangt boven de bank een foto met hét moment uit het ‘Gevecht van de Eeuw’, het mooiste moment uit de carrière van Joe Frazier: Muhammad Ali die als een pudding in elkaar zakt, Frazier die triomfantelijk toekijkt. Tweeënhalf miljoen dollar verdienden ze ieder met dat gevecht: de tijd waarin boksen een van de grootste sporten was. „Ik ben God”, had Ali in de ring tegen Frazier gezegd. Ali was Frazier verbaal vaak de baas, maar die dag won Frazier ook het bekgevecht waarmee de vuistslagen gepaard gingen. „Dan is God vanavond op de verkeerde plaats.”

Als Ali en Frazier tegen elkaar boksten, stond de wereld even stil. In de sporthistorie was er geen grotere rivaliteit dan die tussen The Greatest uit Louisville en de twee jaar jongere Smokin’ Joe uit Beaufort, South Carolina. Frazier, die maandag op 67-jarige leeftijd in een ziekenhuis in Philadelphia aan de gevolgen van leverkanker overleed, was Ali’s taaiste tegenstander. Waar Ali het van zijn snelheid, stijl en incasseringsvermogen moest hebben, was Frazier een ouderwetse slugger; een bokser met verwoestende klappen.

De eerste keer troffen beide Amerikaanse zwaargewichten elkaar op 8 maart 1971, in Madison Square Garden in New York. Voor dat gevecht werden ook in Nederland de wekkers gezet. Vaders haalden hun zoons midden in de nacht (primetime in de VS) uit bed. Dit moesten ze zien, en zouden ze nooit vergeten – tv kijken midden in de nacht was toen nog een zeldzaamheid en het gevecht was net zo’n grote mediagebeurtenis als de moord op president Kennedy (1963) en de landing op de maan (1969). Televisie bracht Amerika dichtbij. Frazier verdedigde met succes zijn wereldtitel in het zwaargewicht. En hij bracht als eerste bokser Ali een nederlaag toe. Met zijn linker sloeg Frazier Ali tegen het canvas, in de vijftiende en laatste ronde. Frazier won op punten.

Vorig jaar vertelde Frazier in een interview met deze krant hoe hij zijn linkse hoek had ontwikkeld. Op zijn achtste jaar, als de jongste van twaalf kinderen, werd hij achternagezeten door een varken dat hij had gepest, hij viel en kwam met z’n linkerarm op een steen terecht. „Sinds die dag kan ik m’n linkerarm niet meer volledig strekken en staat-ie in een hoek.” En hoewel Frazier met links het hardst sloeg, was hij niet linkshandig. „Het enige wat ik met links deed, was vechten. Ik sloeg harder met links dan met rechts, en sneller dan jij 1-2-3 achter elkaar kunt zeggen.”

Frazier groeide op in South Carolina in een straatarm gezin. Op zijn vijftiende verliet hij het ouderlijk huis. Hij was het leven in het zuiden zat. „Ik groeide op met haat, hypocrisie en racisme”, vertelde hij vorig jaar. „Moeilijk voor een zwarte jongen, you know what I mean?” Op zijn veertiende had hij een vier jaar oudere (blanke) jongen tegen de grond geslagen die hem nigger noemde. Dat was jaren nadat een oom eens tegen hem had gezegd dat hij vanwege zijn forse postuur weleens de nieuwe Joe Louis zou kunnen worden, Fraziers boksheld uit de jaren dertig. Een dag nadat zijn oom die voorspelling had gedaan, knutselde de jonge Joe een bokszak in elkaar.

Tijdens het interview vertelde Frazier over zijn kinderen, hoe hij zijn gouden olympische medaille in elf stukken had laten snijden; voor elk kind één. Hoe hij was opgelicht door zijn dochter Jacqui, die ook bokste. Hoe hij zoon Marvis als zwaargewicht trainde en zag hoe die nu als dominee de wereld wilde verbeteren. „Maar dat kan natuurlijk niet.” Hoe hij met plezier muziek had gemaakt, als soulzanger, met The Knockouts.

In de jaren zeventig zouden de wekkers nog verschillende keren midden in de nacht afgaan in talloze Nederlandse gezinnen. In 1974 bijvoorbeeld tijdens de Rumble in the Jungle (Ali-Foreman) en in oktober 1975, toen Ali en Frazier elkaar op de Filippijnen voor de derde en laatste keer troffen, in The Thrilla in Manila. Bij de tweede ontmoeting, aan het begin van 1974 in opnieuw Madison Square Garden, was Ali’s voorspelling uitgekomen: ‘This may shock and amaze ya, but I will destroy Joe Frazier’. In 1975 zorgde de Filippijnse president Marcos voor het geld en het decor van een van de meest legendarische bokswedstrijden ooit. Voorafgaand aan de wedstrijd vernederde Ali de man die ooit zijn vriend was geweest door hem af te schilderen als een lelijke gorilla. Ali kleineerde Frazier onophoudelijk en noemde hem ook voortdurend dom. Met een speelgoedgorillaatje kreeg Ali de lachers op zijn hand, Frazier kookte van woede.

Het werd een gevecht op leven en dood, in het voordeel van Ali beslist omdat Fraziers trainer na de veertiende en voorlaatste ronde van de slachtpartij had aangegeven dat het genoeg was geweest. Ali bepaalde daarmee de eindstand in hun onderlinge ontmoetingen op 2-1. Een jaar later, na een verloren gevecht tegen Foreman, stopte Frazier met boksen.

Pas na het gevecht in Manila werd duidelijk dat Frazier aan het eind bijna niks meer kon zien. In het gesprek vorig jaar vertelde Frazier dat hij al in 1964 langzaam blind geworden was, nadat hij tijdens een training was geraakt door een speedbag, met daarin een stalen boutje dat hij tegen zijn oog kreeg. „Dat was het begin van staar, aan beide ogen, nog voor de Spelen in Tokio [waar hij dat jaar de olympische titel in het zwaargewicht won]. Mijn linkeroog was er het slechtst aan toe.” Toen zijn trainer het gevecht in Manila liet stoppen, zag Frazier zo goed als niets meer.

Zoals veel boksers had Frazier ook een hersenbeschadiging opgelopen. Alleen al tegen Ali bokste hij in zijn carrière 41 ronden van drie minuten; in totaal twee uur. Het waren de mokerslagen van George Foreman die hem in 1973 op Jamaica onttroonden als wereldkampioen in het zwaargewicht.

In het gesprek van vorig jaar maakte Frazier duidelijk dat hij zich ook stoorde aan Ali’s bijnaam. „Er is maar één greatest”, zei Frazier, terwijl hij naar het plafond van zijn appartement wees. „The Lord up there.” Frazier vertelde dat hij zich niet kon herinneren wanneer ze elkaar voor het laatst hadden ontmoet. „Ik weet wel dat ze altijd hun best deden om me uit zijn buurt te houden als we op dezelfde bijeenkomsten waren. (...) Hij zegt dat hij mij om vergeving heeft gevraagd voor de manier waarop hij over mij heeft gesproken. Ik geloof niet dat hij dat meende. Maar goed, hij heeft het wel gezegd.”

Alleen God zou Ali kunnen vergeven, zei Frazier. „Over die macht beschik ik niet.” Ondanks eerdere uitspraken – in de jaren negentig zei hij dat God Ali met de ziekte van Parkinson het zwijgen had opgelegd – liet hij tot drie keer toe weten dat hij Ali nog wel eens wilde ontmoeten. Hij had Ali willen zeggen dat hij gezegend is, „omdat God ervoor gezorgd heeft” dat beide boksers zolang leven. „Een heleboel jongens uit the game zijn jong gestorven.”