Schepper van fijnzinnig en melancholiek oeuvre

Als schrijver noemde de diplomaat Carel Jan Schneider zich F. Springer. Met milde melancholie schreef hij fictie over zijn ervaringen in New York, Teheran en Oost-Berlijn.

Mannen die in vreemde landen plotseling verdwijnen, nooit terugkomen en niemand die nog iets van hen verneemt: aan deze mysterieuze verdwijningen gaf de maandag in Den Haag overleden diplomaat en schrijver F. Springer in zijn romans en verhalen prachtig vorm. Hij werd 79 jaar.

Neem de Nederlandse bestuursambtenaar De Smedt uit zijn debuut Bericht uit Hollandia (1962). F. Springer vond de inspiratie voor dit verhaal in de werkelijkheid. Zijn fictieve figuur De Smedt wordt door papoea’s op Nieuw-Guinea vermoord. De „bush” is genadeloos. Het verhaal grijpt terug op een patrouille waaraan de jonge F. Springer meedeed. Er breekt een gevecht los tussen de Nederlanders en de papoea’s. Schoten vallen, speren worden gegooid. De stap van feit naar fictie is klein. Ginds, in Nederlands Nieuw-Guinea, kreeg F. Springer zijn eerste aanstelling als bestuursambtenaar in 1958. Zijn schrijversnaam Springer vond hij naar eigen zeggen in het weekblad Margriet. Als Carel Jan Schneider werd hij op 15 januari 1932 in Batavia (Jakarta) geboren. Hij was de broer van de acteur Eric Schneider. Hun vader was leraar Duits en auteur van het befaamde leerboek Deutscher Wortschatz. F. Springer verbleef tot 1946 in Indonesië en bracht een tijd door in Japanse interneringskampen. Het voormalige Indië keert in vele van zijn romans terug, onder meer in het inventieve en melancholieke Bandoeng-Bandung. Een novelle (1993). F. Springer studeerde rechten in Leiden. In 1963 deed hij examen voor de Buitenlandse Dienst, waarna plaatsing volgde op Nederlandse ambassades en consulaten in New York, Bangkok, Brussel, Angola en Teheran. Tussen 1985 en 1989 was hij ambassadeur in Oost-Berlijn. Het ambassadeursleven en de literatuur staan bij Springer dicht bij elkaar. Aan zijn autobiografisch getinte romans is zijn reis door de wereld af te lezen. Hij was vaak getuige van belangwekkende, historische gebeurtenissen, zoals de Val van de Berlijnse Muur in 1989, waarover hij de roman Quadriga. Een eindspel (2010) schreef. In Teheran, een zwanezang (1991) noteert hij met de subtiele precisie die zijn werk kenmerkt het wantrouwen waarmee de West-Europese gemeenschap in Teheran elkaar bejegent. In deze liefdesgeschiedenis wordt de half Nederlandse, half Engelse Toby verliefd op de hem toegewezen secretaresse, Patricia. Hij verblijft in Teheran om een fictieve biografie over de sjah te schrijven. Het humoristische van dit boek is dat de sjah, wiens regime ten einde loopt, gerust met Toby van gedachten wisselt. Ondertussen bloeit de verliefdheid, maar Toby vraagt zich af of Patricia hem misschien bespioneert, een dubbelrol speelt. Een van de favoriete onderwerpen van Springers werk zijn de recepties. In Tabee, New York (1974), Bougainville. Een gedenkschrift (1981) en Kandy (1998) schudden mannen in kostuum elkaar de hand, borrelen, vertellen elkaar sterke verhalen, slaan elkaar op de schouder. Hun taal is die van de ambassade: jongensachtig, soms wat patserig en altijd met vertoon van branie. Zo staat het er treffend en onvergetelijk in Zaken overzee (1977): „Ik was drie weken in de maand op tournee, kriskras door het bergland. Ik moest tussenbeide komen in stammenoorlogen, vrouwen- en varkensdieven opsporen.” De combinatie van „vrouwen- en varkensdieven” in een zin, dát is vintage-Springer.

Onder deze charmante bewijzen van bravoure schuilt bij alle Springer-personages een milde vorm van melancholie. In veel van zijn boeken speelt de terugkeer naar vroegere standplaatsen een grote rol. De repatriëring van Springer uit Nederlands-Indië bepaalt de toon van weemoed in Kandy. Weggaan, afscheid nemen en terugkeren zijn de diepste drijfveren van Springers literaire en diplomatieke werk. Het allerzwaarste afscheid nam hij al in 1946, als jonge jongen. Hij ging weg uit Nederlands-Indië. Springer benoemt het in Kandy prachtig: wie eenmaal is weggegaan, komt nooit meer thuis.

    • Kester Freriks