Nuchtere schrijver

In 1978, toen ik op de redactie van de Volkskrant werkte, vroeg ik aan adjunct-hoofdredacteur Jan Blokker of hij het werk van F. Springer kende. We zochten voor de krant een chroniqueur-achtige columnist. Springer leek mij daarvoor met zijn soepele, licht ironische stijl zeer geschikt.

Blokker had hem niet gelezen en vroeg me een van Springers boeken te leen. Ik koos het vier jaar eerder verschenen Tabee, New York, een korte roman die altijd mijn lievelingsspringer is gebleven. Het heeft alle kenmerken van zijn beste werk: vaart, humor, melancholie, ingebed in het wrange verhaal over de Nederlandse viceconsul Rudy die op een feestje in New York zijn inmiddels getrouwde jeugdvriendinnetje Dolly tegenkomt.

Ze storten zich in een seksueel avontuur dat Rudy laf beëindigt door geen afscheid van haar te nemen. Als zijn vliegtuig opstijgt, denkt hij in de slotregels van de roman: „(…) wat heb ik gedaan. Godallemachtig, wat heb ik gedaan.” De mannelijke hoofdpersonen bij Springer hebben veel praatjes, maar zijn nooit grote helden.

De schriftelijke reactie van Blokker heb ik bewaard in het boek. Hij schreef: „Best aardig, vond ik, literair aan de ‘kleine’ kant, maar juist daarom wel wijzend in de richting van een kronikeurschap. Probeer jij ’m ’s te benaderen, als kenner?”

Ik had gehoopt dat hij het beter vond dan ‘best aardig’, maar Blokker was niet zo’n gepassioneerde fictielezer. Als ik me goed herinner, heb ik Springer toen opgebeld, maar hij was al benaderd door, jawel, NRC Handelsblad waarvoor hij onder de titel ‘Ontmoetingen’ autobiografische columns op de Achterpagina ging schrijven. Die pakten soms uit als miniromans, inclusief sfeertekening en plot.

In De wegloper (8 december 1978) beschrijft hij een ontmoeting van een ambtelijke delegatie waarvan hij deel uitmaakt, met ‘vertegenwoordigers van het bedrijfsleven’. Citaat: „‘Zijn we compleet’ , vroeg de voorzitter wiens vastberaden hoofd regelmatig de rubriek ‘Mens en Bedrijf’ van deze krant opsiert. Wij ambtenaren waren natuurlijk allemaal present, maar van het bedrijfsleven ontbraken er een half uur na het begin nog vier, en de laatste kwam pas binnen bij de thee/koffie/gebak. Daardoor viel aller aandacht even op hem.”

Het bleek ene Wim Hazeman te zijn, een oude schoolvriend van Springer, die onmiddellijk een stroom van herinneringen bij Springer opwekt – een bekend procedé in zijn boeken.

Springer was vooral een nuchtere schrijver, grote woorden meed hij als de pest – die moest hij al vaak genoeg gebruiken in zijn baan als diplomaat. In het Algemeen Dagblad van 2 januari 1988, hij is dan ambassadeur in Oost-Berlijn, vertelt hij: „Daar staan we dan op 30 april met een paar honderd mensen om ons heen en zingen het Wilhelmus… De meesten blijken de woorden goed te kennen, velen laten hun tranen de vrije loop. Laatkomers, de trein kan vertraging hebben, vragen bij binnenkomst: is het Wilhelmus al gezongen? En als dat het geval is, zingen we het nóg een keer en soms een derde maal.” Zien we het voor ons, Springer uit volle borst het Wilhelmus zingend met ontroerde landgenoten? Boven zijn zorgvuldig gepommadeerde haardos moet in zulke situaties altijd zijn schrijversoog gezweefd hebben, dat alles met ingehouden ironie registreerde.

In zijn boeken keert zijn hele diplomatieke carrière, standplaats na standplaats, terug. Zijn werk werd zijn oeuvre. Een bijzonder oeuvre.